Bedrijf 3
Scène III
Salon: Olga, Louisa, Gina, Roos
Louisa maakt thee
Olga :
(geniet zichtbaar) ‘Heerlijk kopje koffie.’
Roos:
‘Ik ben jaloers.’
Gina:
‘Ik ook, mijn maag verdraagt het niet meer.’
Roos:
‘Maar de geur doet mij nog altijd watertanden.’
Olga:
‘Ik hoop dat ze mij dat niet afnemen.’
Louisa:
‘Kopje thee?!’
Gina&Roos:
‘Ja graag.’
Olga:
‘Dat heb ik nu nooit gedronken.’
Gina:
‘Nog nooit geproefd?’
Olga:
‘Dat wel, maar brrr.’
Roos:
‘De zolder leek mij toch meer geschikt.’
Olga:
‘Daar valt iets van te maken.’
Gina:
‘Schildersatelier met ramen op het noorden.’
Louisa:
‘De galerij kan in het midden.’
Roos:
‘En dan zo’n flexibele ruimte op het zuiden.’
Gina:
‘Ben eens benieuwd, hoeveel kunstenaars erop af gaan komen.’
Louisa:
‘Gaan we het nu openstellen voor iedereen?’
Roos:
‘Misschien toch maar alleen voor lesbiennes.’
Louisa:
‘Maar in de galerij mag toch iedereen komen, zeker?’
Roos:
‘Absoluut, dat moet zelfs. De galerij is de ruimte waar we elkaar ontmoeten, waar de leegtes opgeroepen worden, de galerij moet een ruimte van intimiteit worden waarin iedereen kwetsbaar durft zijn.’
Gina:
‘Intimiteit nodigt uit om je masker af te leggen ja.’
Olga:
‘Het kan ook het tegenovergestelde effect hebben. Je vergroot je masker om tegen die intimiteit op te kunnen.’
Louisa:
‘En al die andere mensen? Ik moet er niet aan denken dat ik daar sta te wenen met een stelletje vreemdelingen als toeschouwers.’
Olga:
‘Gruwelijk. Ik wil dat ook niet laten zien. Ik hoor ze al grinniken.’
Roos:
‘En daar draait het net om. Wat is onze kwetsbaarheid? Wat betekent het om zo duidelijk kwetsbaar te zijn, te voelen dat je tot een minderheid behoort, continu te leven in een wereld die je niet herkent en die doet of jij niet bestaat, en toch ben je altijd zichtbaar, altijd de lesbienne.’
Louisa:
‘Ik heb geen flauw idee waarover jij het hebt, Roos. Weet je het wel zeker dat dit lesbisch is?’
Roos:
‘Ja, ik voel dat er zoiets als een lesbische blik, een lesbische stijl bestaat, alleen vrees ik dat wij die verloren hebben.’
Olga:
‘De heterostijl is ook enorm agressief, miljoenen dollars verkopen haar overal en altijd. Het is ons met de paplepel ingegeven, hapklaar, alles is al bedacht. De gemakkelijke weg.’
Louisa:
‘De ge-mak-ke-lijkste weg. Heb je het ooit geprobeerd?’
Olga:
‘Nee, ik bedoelde…’
Louisa:
‘Het is een verschrikkelijke weg, altijd op je hoede, altijd jezelf uitschakelen, altijd denken dat jij fout voelt, doet, denkt want de meerderheid heeft immers altijd gelijk.’
Olga:
‘Daar geloof ik ook niet meer in, Louisa, ik bedoelde alleen maar…ik zal het zo zeggen, mocht ik ook maar een beetje hetero geweest zijn dan’
37
Gina:
‘Zou je getrouwd met kindertjes zijn. Ik ook Olga, ik ook. Ik wist al van mijn zesde dat ik voor meisjes viel. Maar ik wou het niet. Daarom ben ik zo lang bij ma en pa blijven wonen. Ik durfde gewoon niet.’
Olga:
‘De moed zonk mij ook in mijn schoenen.’
Roos:
‘De continue bron van eenzaamheid.’
Gina:
‘Misschien is eenzaamheid wel de wortel van geluk.’
Louisa:
‘En de leegte is de eenzaamheid, niet?’
Olga:
‘Of wat erna komt.’
Louisa:
‘Ja hallo, ik geef het op.’
Gina:
(lacht) ‘Ik ook, zullen we een spelletje spelen?’
Allen:
‘Oh ja’
Louisa:
‘Iets pittigs wel.’
Roos:
‘Ja, niet zoiets als raad je plaatje.’
Olga:
‘Of drie op een rij.’
Roos:
‘Vier zeker.’
Olga:
‘Oei.’
Gina:
‘Ik heb iets bedacht.’ (staat op en begint verschillende wierookstaafjes en geurkaarsjes aan te steken)
Louisa:
‘Iets nieuws, precies.’
Gina:
‘Iets nieuws. Iedereen schrijft 5 zinnetjes over haar leven op.’
Louisa:
‘Moet het waar zijn?
Gina:
‘Waar én niemand mag het al weten.’
Roos:
‘Dus ik mag niet schrijven: ik vrij met Gina?’
Gina:
‘Roos!’
Louisa:
‘Hoe dat wist ik toch niet. (iedereen kijkt naar haar) Toch niet zeker.’
Gina:
‘Dat hoef jij ook niet te weten! Dan gooien we met een dobbelsteen en als je één gooit moet je een kaartje trekken, 2 2 kaartjes.’
Olga:
‘We moeten dus 1 zinnetje per kaartje schrijven?’
Roos:
‘En die dan ergens in een kom of zo leggen?’
Gina:
‘Ja en ja, dan lees je het zinnetje voor. Als je weet over wie dit kaartje iets zegt en het is juist, dan krijg je één punt. Als je het niet weet, dan kun je het kaartje terug leggen, en krijg je geen punten. Maar als je gokt en het is fout dan mogen wij je iets laten doen.’
Olga:
‘Oh boy, ik geloof dat ik al wat hoofdpijn aan ’t krijgen ben.’
Gina:
‘Een liedje zingen, een verhaaltje vertellen, toneelstukje opvoeren. 10 punten wint.’
Louisa:
‘En wat krijgt die?’
Gina:
‘Van iedereen een zoen.’
Olga:
‘Ola, ola ik ben daar zuinig mee.’
Louisa:
‘Dat hoefde je niet meer op een kaartje te schrijven. Ik ga al kaartjes en pennen pakken.’
(Friedl op)
Roos:
‘Doe je mee Friedl?’
Friedl:
‘Nee liever niet. Ik ga naar huis, even slapen. Maar ik ben wel voor de vergadering terug.’
Gina:
‘Je kunt hier toch ook slapen.’
Friedl:
‘Ik wil d’er even uit.’
Roos:
‘Wees voorzichtig, Friedl. (Friedl af)
Olga:
‘Dat was ze beter eerder geweest.’
Gina:
‘Ach Olga.’
38
Olga:
‘Ik kan maar niet begrijpen dat zij over die grens is gegaan. Zij moet toch weten dat zij gevoelens oproept bij een cliënt die niet voor haar bestemd zijn. Bovendien gaat het om de behoeften van de cliënt niet om die van haar.’
Louisa:
‘Maar zij is toch ook maar een mens.’
Olga:
‘Natuurlijk, maar in haar therapie speelt zij een rol, een soort van professioneel masker, de persoonlijkheid van de therapeut ken jij niet als cliënt.’
Roos:
‘Ik heb het er ook moeilijk mee. Een therapeut moet sterk zijn, je cliënt is verward en zal het al vaak moeilijk hebben met grenzen. De psychiater moet je de zekerheid geven dat zij het onder controle heeft, begrijpt wat er gebeurt en kan ingrijpen.’
Olga:
‘En wat met die andere cliënten? En neem nu dat ze aan mij zouden vragen of ik het een goede psychiater vind.’
Gina:
‘Het is en blijft moeilijk, maar kunnen we dat tot vanavond laten?’
Louisa:
‘Ja spelletje’ (ze beginnen allemaal te schrijven)
(Andreas en Anna komen op)
Anna:
‘Wat zijn jullie allemaal ijverig.’
Louisa:
‘Ja we zijn een spelletje aan het spelen. Doen jullie mee?’
Andreas:
‘Wat moeten we dan doen?’
Roos:
‘Vijf zinnetjes over jezelf schrijven: één zinnetje per kaartje. Wij mogen die feiten nog niet weten en dan in de kom gooien.’
Andreas:
‘En dan’
Gina:
‘Dan gooien, zoveel kaartjes trekken als je gegooid hebt en dan raden van wie het kaartje komt.’
Anna:
‘Spannend.’ (zij beginnen ook te schrijven)
Roos:
‘Klaar.’
Louisa:
‘Zo snel?!’
Olga:
‘Oh ik heb ze nog alle vijf.’
Louisa:
‘Ik ook. (pauze) En ik moet er nog 3 schrijven!’
Anna:
‘ ’t Is wel spannend.’ (kaartjes in kom)
Louisa:
‘Ik weet niks nie meer.’
Andreas:
‘Allez dan maar.’ (kaartjes in kom)
Louisa:
‘Hou ze nog even bij.’
(de anderen schudden de kom en leggen alles klaar)
Louisa:
(uiteindelijk klaar) ‘Amaai, ‘k zal nog eens e spelletje spelen.’
Gina:
(roffelt de kaarten goed door elkaar) ‘Beginnen we alfabetisch?’
Andreas:
‘Oh’ (gooit drie)
Anna:
‘En als je een kaart van jezelf trekt?’
Gina:
‘Dan doe je maar alsof je het niet weet en gooi je het kaartje terug in de kom.’
Andreas:
‘Anaïs was het parfum van mijn eerste lief. (zucht diep)
De liefde van mijn leven heb ik in een zelfhulpgroep voor overlevenden leren kennen. Dat is Roos of Gina.
Ik ben Pipi Langkous. Louisa, foei.’
Louisa:
‘Ikk, hoe’
Gina:
‘ is dat je antwoord Andreas?’
Andreas:
‘Ja nr 3 is Louisa.’
Louisa:
‘Maar waarom ik? Ik heb toch geen sproeten, zeker!?’
Gina:
‘Louisa, heb je die kaart geschreven?’
Louisa:
‘Nee, begot, wel jammer dat ik er niet zelf op gekomen ben.’
Gina:
‘Oh, dat was dus fout. In de kom. Als straf’
39
Louisa:
‘Een liedje zingen.’
Andreas:
(denkt diep na) ‘Klein klein kleutertje’
Anna:
(gooit) ‘4.
Ik heb 3 ongelukkige relaties gehad.
Mijn beide ouders zijn omgekomen in een busongeluk.
Dan Brown is lesbisch.
Ik ben bijna getrouwd geweest met een homo.
Oh boy, deze 2 leg ik terug. Ik denk dat de ongelukkige relaties van Olga zijn.’
Olga:
‘Helaas wel ja.’
Gina:
‘Eén punt.’
Anna:
‘En Dan Brown…Louisa.’
Louisa:
‘Ikke weer! Waarom ik!’ (gespeeld verontwaardigd)
Gina:
‘Dat wordt straf.’
Louisa:
‘Ik ben het altijd geweest!’
Gina:
‘Als straf moet Anna…iemand een idee?’
Louisa:
‘Een puntje bij krijgen!
De anderen:
‘Wat!’
Louisa:
‘Ik wist echt niets meer.’
Gina:
‘2 punten. Nu ben ik het. 2.
Ik ben een keer ’s morgens naast een vrouw wakker geworden die ik niet kende.
Ik had bijna mijn huis niet kunnen kopen omdat de rechter de geldigheid van onze lesbische relatie betwistte. (probeert hun gezicht te lezen) Ik twijfel tussen Anna of Olga (kijkt iedereen aan) Anna.’
Anna:
‘Klopt.’
Gina:
‘Die andere leg ik terug.’
Louisa:
‘6. Mijn lesbische groottante is getrouwd met haar psychiater.
Ik heb bijna een lesbische boekhandel overgenomen.
Ik ben nog nooit naar bed geweest met een vrouw.
Ik heb een relatie gehad met een zwarte vrouw.
Ons Pipi is hier weer.
Ik ben verliefd op Andreas? Wist je dat Andreas? Wie is het Andreas?’
Geroezemoes over de laatste zin (Andreas wordt rood)
Louisa:
‘Relatie met een negerin. Olga?’
Olga:
‘Nee, helaas niet.’
Louisa:
‘Ben je wel zeker? Wie waren die twee anderen dan wel?’
Anna:
‘We zijn niet nieuwsgierig hoor, oh nee.’
Louisa:
‘De andere kaartjes leg ik terug.’
Gina:
‘De straf.’
Andreas:
‘Een goei fles wijn gaan halen, dan kunnen we al aperitieven.’
Louisa:
‘Allez.’ (Louisa af)
Olga:
‘2. Ik heb 2 fosterkinderen. Andreas.’ (Andreas knikt)
Gina:
‘1 punt.’
Olga:
‘In mijn studententijd heb ik samen met een vriendin gedaan alsof wij lesbisch waren. Roos?’
Roos:
‘Nee,nee.’
Gina:
‘Een liedje.’
Olga:
‘Zeg kwezelke wilde gij dansen’
40
vrijdag, november 24, 2006
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten