vrijdag, november 24, 2006

context:burn-out

GL
ik heb ouw dozen geschreven toen ik mijn ooguren moest tellen, niet uit mijn bed geraakte, niet genoeg energie had om mijn tanden te poetsen. Ik schreef als ik een moment geen hoofdpijn had, als ik mijn maag niet voelde, als ik niet met mijn zwarte band en oorstopjes in mijn zetel zat. Ik voelde mij zo opstandig, in mijn therapie kroop ik over de grond van de pijn. Ik beet zo hard op mijn tanden dat ik 's morgens met een pijnmasker opstond. Ik moest mijn hoofd werkvrij maken, leeg maken. Het toneel heeft me daarbij geholpen. Ik kon niet vluchten want ik mocht niet lezen. TV, computer waren te oogbelastend. Pen en papier: c' était possible.
Maar nu wil ik weten of het speelbaar is, en niet uit medelijden hé gl. Eerlijk duurt het langst(langgeleden dat ik die nog gehoord heb)

ouw dozen: begijntjes

Bedrijf 4
Scène I
Salon: iedereen
Gina:
‘Ik heb een voorstel.’
Louisa:
‘Ik hoop meer dan 1 want anders gaat dat hier rap gedaan zijn.’
Gina:
‘Nee, maar 1.’
Louisa:
‘Allez dan, dan kunnen wij de hele avond op ons liedje oefenen .’
Andreas:
‘Wat is je voorstel, Gina?’
Gina:
‘Awel, ik stel voor dat we aan het hele huis hier vragen om voor ons deze vergadering uit te schrijven.’
Olga:
‘Hoe onze mening telt niet meer mee?’
Friedl:
‘Maar hoe weten ze nu hoe wij denken?’
Anna:
‘Ze kennen ons toch al wel goed, nee?’
Roos:
‘Een frisse wind, waarom niet.’
Olga:
‘Ik hoop dat ze wel goed begrepen hebben dat ik een intellectueel ben.’
Louisa:
‘Wie weet wat ze allemaal begrepen hebben, Olga.’
Anna:
‘Maar als het niet goed voelt, wat dan?’
Gina:
‘We zeggen aan iedereen om de vergadering uit te schrijven en dan kiezen we er de tien beste uit. Als er één is waar we ons allemaal in herkennen, dan houden we de vergadering zo.’
Olga:
‘En anders?’
Gina:
‘Dan proberen we er een paar.’
Ché:
‘Zo zijn we wel een tijdje zoet, nee?’
Gina:
‘Ik denk dat we dat zo om de 5 jaar moeten doen?’
Olga:
‘Om de 5 jaar, ze zullen ons zien komen.’
Louisa:
‘En altijd hetzelfde, dat weet ik niet zunne.’
Friedl:
‘Het heeft wel iets.’
Roos:
‘Hm ik vind het wel spannend.’
Friedl:
‘Problemen zijn tijdloos.’
Roos:
‘De oplossingen daarentegen...’
Ché:
‘Maar durven we wel zo ver gaan’
Gina:
‘Dat is een goeie vraag, Ché.’ (kijkt rond)
Louisa:
‘Ik durf alles.’
Olga:
‘Bwa, ik begin precies toch wat nieuwsgierig te worden.’
Roos:
‘Ik vind het een goed idee, Florreke.’
Friedl:
‘Ja, ik doe mee.’
Ché:
‘Ik zal wel zenuwachtig zijn.’
Anna:
‘Ik ook, en ik ben ook geen veelprater.’
Andreas:
‘Waarom niet’
Gina:
‘Bon, dan heb ik hier toevallig onze laptop open op onze site en dan tik ik in?’
Louisa:
‘Lees het al maar.’
Gina:
‘Ik heb nog geen tekst.’
Louisa:
‘Beste huisgenoten, zoals jullie weten, zitten wij met een aantal problemen, én, zoals jullie ook weten is het gemakkelijker problemen te hebben, dan oplossingen…’
Anna:
‘Mogen wij daarom nederig aan jullie vragen om oplossingen voor ons uit te schrijven, zodat wij weten wat wij op de vergadering moeten zeggen.’
Ché:
‘En de beste mag met ons mee naar Cluny.’
Gina:
‘Stuur je voorstel in op www.blogklaprozen.be’
Anna:
‘Knuffeltjes van ons allemaal.’
41
Olga:
‘Ola ola.’
Louisa:
‘Sht, ist af, kunnen we dan nu,’
Roos:
‘Allez hier gaan we, allen aan de kant.’
Ouw dozen
Rap met rapdansje voor de ouderen onder ons, handjeklap tussen Louisa en Gina.
Louisa:
‘Hier zitten we dan’
Allen:
‘In ’t Outroze’
Louisa:
‘Een hechte clan’
Allen:
‘Echte ouw dozen’
Gina:
‘We trekken onze plan’
Allen:
‘In ’t Outroze’
Gina:
‘In ieders belang’
Allen:
‘Echte ouw dozen’
Louisa:
‘Een bulderlach’
Allen:
‘In ’t Outroze’
Louisa:
‘Echt alles mag’
Allen:
‘Echte ouw dozen’
Gina:
‘Een warm onthaal’
Allen:
‘In ’t Outroze’
Gina:
‘Voor elk verhaal’
Allen:
‘Echte ouw dozen’
Allen:
‘Hier zitten we dan’
Publiek:
‘In ’t Outroze’
Allen:
‘Van niemand bang’
Publiek:
‘échte ouw dozen’ (2 tellen)
Allen:
‘zo’n klaprozen.’
42
A:
‘Klein, klein kleutertje
Wat doet gij in den hof?
Ge plukt er alle bloemetjes af’ (interactie met publiek)
Publiek:
‘Ge maakt het veel te grof’
A:
‘en maakt een mooie bos’
Publiek:
‘Mamake die zal kijven’
A:
‘Mama-be die zal blij zijn’
Publiek:
‘papake die zal slaan’
A:
‘Mama-ce pinkt een traan’
Publiek&A:
‘klein, klein kleutertje’
Publiek:
‘ga hier maar gauw vandaan’
A:
‘dat heb je mooi gedaan’
O:
‘Zeg kwezelke wilde gij dansen
ik zal u geven een ei
wel neen, zei dat kwezelke
dat dansen is niets voor mij
‘k en mag niet dansen
‘k en kan niet dansen
dansen is onze regel niet
begijntjes en kwezeltjes
dansen niet …
‘Zeg kwezelke wilde gij dansen
ik zal u geven een koe
wel neen, zei dat kwezelke
van dansen word ik zo moe
‘k en mag niet dansen
‘k en kan niet dansen
dansen is onze regel niet
begijntjes en kwezeltjes
dansen niet …
‘Zeg kwezelke wilde gij dansen
ik zal u geven (aarzelen) een man (even pauzeren)
wel neen, zei dat kwezelke
van dansen word ik zo stram
‘k en mag niet dansen
‘k en kan niet dansen
dansen is onze regel niet
begijntjes en kwezeltjes
dansen niet …
‘Zeg kwezelke wilde gij dansen
ik zal u geven (aarzelen) een vrouw (even pauzeren)
wel ja, zei dat kwezelke
43
laat’t dansen beginnen algauw
ik kan wel dansen
ik mag wel dansen
dansen is onze regel wel
begijntjes en kwezeltjes
dansen wel! …
4 juni 2006
44

ouw dozen: pipi

Bedrijf 3
Scène III
Salon: Olga, Louisa, Gina, Roos
Louisa maakt thee
Olga :
(geniet zichtbaar) ‘Heerlijk kopje koffie.’
Roos:
‘Ik ben jaloers.’
Gina:
‘Ik ook, mijn maag verdraagt het niet meer.’
Roos:
‘Maar de geur doet mij nog altijd watertanden.’
Olga:
‘Ik hoop dat ze mij dat niet afnemen.’
Louisa:
‘Kopje thee?!’
Gina&Roos:
‘Ja graag.’
Olga:
‘Dat heb ik nu nooit gedronken.’
Gina:
‘Nog nooit geproefd?’
Olga:
‘Dat wel, maar brrr.’
Roos:
‘De zolder leek mij toch meer geschikt.’
Olga:
‘Daar valt iets van te maken.’
Gina:
‘Schildersatelier met ramen op het noorden.’
Louisa:
‘De galerij kan in het midden.’
Roos:
‘En dan zo’n flexibele ruimte op het zuiden.’
Gina:
‘Ben eens benieuwd, hoeveel kunstenaars erop af gaan komen.’
Louisa:
‘Gaan we het nu openstellen voor iedereen?’
Roos:
‘Misschien toch maar alleen voor lesbiennes.’
Louisa:
‘Maar in de galerij mag toch iedereen komen, zeker?’
Roos:
‘Absoluut, dat moet zelfs. De galerij is de ruimte waar we elkaar ontmoeten, waar de leegtes opgeroepen worden, de galerij moet een ruimte van intimiteit worden waarin iedereen kwetsbaar durft zijn.’
Gina:
‘Intimiteit nodigt uit om je masker af te leggen ja.’
Olga:
‘Het kan ook het tegenovergestelde effect hebben. Je vergroot je masker om tegen die intimiteit op te kunnen.’
Louisa:
‘En al die andere mensen? Ik moet er niet aan denken dat ik daar sta te wenen met een stelletje vreemdelingen als toeschouwers.’
Olga:
‘Gruwelijk. Ik wil dat ook niet laten zien. Ik hoor ze al grinniken.’
Roos:
‘En daar draait het net om. Wat is onze kwetsbaarheid? Wat betekent het om zo duidelijk kwetsbaar te zijn, te voelen dat je tot een minderheid behoort, continu te leven in een wereld die je niet herkent en die doet of jij niet bestaat, en toch ben je altijd zichtbaar, altijd de lesbienne.’
Louisa:
‘Ik heb geen flauw idee waarover jij het hebt, Roos. Weet je het wel zeker dat dit lesbisch is?’
Roos:
‘Ja, ik voel dat er zoiets als een lesbische blik, een lesbische stijl bestaat, alleen vrees ik dat wij die verloren hebben.’
Olga:
‘De heterostijl is ook enorm agressief, miljoenen dollars verkopen haar overal en altijd. Het is ons met de paplepel ingegeven, hapklaar, alles is al bedacht. De gemakkelijke weg.’
Louisa:
‘De ge-mak-ke-lijkste weg. Heb je het ooit geprobeerd?’
Olga:
‘Nee, ik bedoelde…’
Louisa:
‘Het is een verschrikkelijke weg, altijd op je hoede, altijd jezelf uitschakelen, altijd denken dat jij fout voelt, doet, denkt want de meerderheid heeft immers altijd gelijk.’
Olga:
‘Daar geloof ik ook niet meer in, Louisa, ik bedoelde alleen maar…ik zal het zo zeggen, mocht ik ook maar een beetje hetero geweest zijn dan’
37
Gina:
‘Zou je getrouwd met kindertjes zijn. Ik ook Olga, ik ook. Ik wist al van mijn zesde dat ik voor meisjes viel. Maar ik wou het niet. Daarom ben ik zo lang bij ma en pa blijven wonen. Ik durfde gewoon niet.’
Olga:
‘De moed zonk mij ook in mijn schoenen.’
Roos:
‘De continue bron van eenzaamheid.’
Gina:
‘Misschien is eenzaamheid wel de wortel van geluk.’
Louisa:
‘En de leegte is de eenzaamheid, niet?’
Olga:
‘Of wat erna komt.’
Louisa:
‘Ja hallo, ik geef het op.’
Gina:
(lacht) ‘Ik ook, zullen we een spelletje spelen?’
Allen:
‘Oh ja’
Louisa:
‘Iets pittigs wel.’
Roos:
‘Ja, niet zoiets als raad je plaatje.’
Olga:
‘Of drie op een rij.’
Roos:
‘Vier zeker.’
Olga:
‘Oei.’
Gina:
‘Ik heb iets bedacht.’ (staat op en begint verschillende wierookstaafjes en geurkaarsjes aan te steken)
Louisa:
‘Iets nieuws, precies.’
Gina:
‘Iets nieuws. Iedereen schrijft 5 zinnetjes over haar leven op.’
Louisa:
‘Moet het waar zijn?
Gina:
‘Waar én niemand mag het al weten.’
Roos:
‘Dus ik mag niet schrijven: ik vrij met Gina?’
Gina:
‘Roos!’
Louisa:
‘Hoe dat wist ik toch niet. (iedereen kijkt naar haar) Toch niet zeker.’
Gina:
‘Dat hoef jij ook niet te weten! Dan gooien we met een dobbelsteen en als je één gooit moet je een kaartje trekken, 2 2 kaartjes.’
Olga:
‘We moeten dus 1 zinnetje per kaartje schrijven?’
Roos:
‘En die dan ergens in een kom of zo leggen?’
Gina:
‘Ja en ja, dan lees je het zinnetje voor. Als je weet over wie dit kaartje iets zegt en het is juist, dan krijg je één punt. Als je het niet weet, dan kun je het kaartje terug leggen, en krijg je geen punten. Maar als je gokt en het is fout dan mogen wij je iets laten doen.’
Olga:
‘Oh boy, ik geloof dat ik al wat hoofdpijn aan ’t krijgen ben.’
Gina:
‘Een liedje zingen, een verhaaltje vertellen, toneelstukje opvoeren. 10 punten wint.’
Louisa:
‘En wat krijgt die?’
Gina:
‘Van iedereen een zoen.’
Olga:
‘Ola, ola ik ben daar zuinig mee.’
Louisa:
‘Dat hoefde je niet meer op een kaartje te schrijven. Ik ga al kaartjes en pennen pakken.’
(Friedl op)
Roos:
‘Doe je mee Friedl?’
Friedl:
‘Nee liever niet. Ik ga naar huis, even slapen. Maar ik ben wel voor de vergadering terug.’
Gina:
‘Je kunt hier toch ook slapen.’
Friedl:
‘Ik wil d’er even uit.’
Roos:
‘Wees voorzichtig, Friedl. (Friedl af)
Olga:
‘Dat was ze beter eerder geweest.’
Gina:
‘Ach Olga.’
38
Olga:
‘Ik kan maar niet begrijpen dat zij over die grens is gegaan. Zij moet toch weten dat zij gevoelens oproept bij een cliënt die niet voor haar bestemd zijn. Bovendien gaat het om de behoeften van de cliënt niet om die van haar.’
Louisa:
‘Maar zij is toch ook maar een mens.’
Olga:
‘Natuurlijk, maar in haar therapie speelt zij een rol, een soort van professioneel masker, de persoonlijkheid van de therapeut ken jij niet als cliënt.’
Roos:
‘Ik heb het er ook moeilijk mee. Een therapeut moet sterk zijn, je cliënt is verward en zal het al vaak moeilijk hebben met grenzen. De psychiater moet je de zekerheid geven dat zij het onder controle heeft, begrijpt wat er gebeurt en kan ingrijpen.’
Olga:
‘En wat met die andere cliënten? En neem nu dat ze aan mij zouden vragen of ik het een goede psychiater vind.’
Gina:
‘Het is en blijft moeilijk, maar kunnen we dat tot vanavond laten?’
Louisa:
‘Ja spelletje’ (ze beginnen allemaal te schrijven)
(Andreas en Anna komen op)
Anna:
‘Wat zijn jullie allemaal ijverig.’
Louisa:
‘Ja we zijn een spelletje aan het spelen. Doen jullie mee?’
Andreas:
‘Wat moeten we dan doen?’
Roos:
‘Vijf zinnetjes over jezelf schrijven: één zinnetje per kaartje. Wij mogen die feiten nog niet weten en dan in de kom gooien.’
Andreas:
‘En dan’
Gina:
‘Dan gooien, zoveel kaartjes trekken als je gegooid hebt en dan raden van wie het kaartje komt.’
Anna:
‘Spannend.’ (zij beginnen ook te schrijven)
Roos:
‘Klaar.’
Louisa:
‘Zo snel?!’
Olga:
‘Oh ik heb ze nog alle vijf.’
Louisa:
‘Ik ook. (pauze) En ik moet er nog 3 schrijven!’
Anna:
‘ ’t Is wel spannend.’ (kaartjes in kom)
Louisa:
‘Ik weet niks nie meer.’
Andreas:
‘Allez dan maar.’ (kaartjes in kom)
Louisa:
‘Hou ze nog even bij.’
(de anderen schudden de kom en leggen alles klaar)
Louisa:
(uiteindelijk klaar) ‘Amaai, ‘k zal nog eens e spelletje spelen.’
Gina:
(roffelt de kaarten goed door elkaar) ‘Beginnen we alfabetisch?’
Andreas:
‘Oh’ (gooit drie)
Anna:
‘En als je een kaart van jezelf trekt?’
Gina:
‘Dan doe je maar alsof je het niet weet en gooi je het kaartje terug in de kom.’
Andreas:
‘Anaïs was het parfum van mijn eerste lief. (zucht diep)
De liefde van mijn leven heb ik in een zelfhulpgroep voor overlevenden leren kennen. Dat is Roos of Gina.
Ik ben Pipi Langkous. Louisa, foei.’
Louisa:
‘Ikk, hoe’
Gina:
‘ is dat je antwoord Andreas?’
Andreas:
‘Ja nr 3 is Louisa.’
Louisa:
‘Maar waarom ik? Ik heb toch geen sproeten, zeker!?’
Gina:
‘Louisa, heb je die kaart geschreven?’
Louisa:
‘Nee, begot, wel jammer dat ik er niet zelf op gekomen ben.’
Gina:
‘Oh, dat was dus fout. In de kom. Als straf’
39
Louisa:
‘Een liedje zingen.’
Andreas:
(denkt diep na) ‘Klein klein kleutertje’
Anna:
(gooit) ‘4.
Ik heb 3 ongelukkige relaties gehad.
Mijn beide ouders zijn omgekomen in een busongeluk.
Dan Brown is lesbisch.
Ik ben bijna getrouwd geweest met een homo.
Oh boy, deze 2 leg ik terug. Ik denk dat de ongelukkige relaties van Olga zijn.’
Olga:
‘Helaas wel ja.’
Gina:
‘Eén punt.’
Anna:
‘En Dan Brown…Louisa.’
Louisa:
‘Ikke weer! Waarom ik!’ (gespeeld verontwaardigd)
Gina:
‘Dat wordt straf.’
Louisa:
‘Ik ben het altijd geweest!’
Gina:
‘Als straf moet Anna…iemand een idee?’
Louisa:
‘Een puntje bij krijgen!
De anderen:
‘Wat!’
Louisa:
‘Ik wist echt niets meer.’
Gina:
‘2 punten. Nu ben ik het. 2.
Ik ben een keer ’s morgens naast een vrouw wakker geworden die ik niet kende.
Ik had bijna mijn huis niet kunnen kopen omdat de rechter de geldigheid van onze lesbische relatie betwistte. (probeert hun gezicht te lezen) Ik twijfel tussen Anna of Olga (kijkt iedereen aan) Anna.’
Anna:
‘Klopt.’
Gina:
‘Die andere leg ik terug.’
Louisa:
‘6. Mijn lesbische groottante is getrouwd met haar psychiater.
Ik heb bijna een lesbische boekhandel overgenomen.
Ik ben nog nooit naar bed geweest met een vrouw.
Ik heb een relatie gehad met een zwarte vrouw.
Ons Pipi is hier weer.
Ik ben verliefd op Andreas? Wist je dat Andreas? Wie is het Andreas?’
Geroezemoes over de laatste zin (Andreas wordt rood)
Louisa:
‘Relatie met een negerin. Olga?’
Olga:
‘Nee, helaas niet.’
Louisa:
‘Ben je wel zeker? Wie waren die twee anderen dan wel?’
Anna:
‘We zijn niet nieuwsgierig hoor, oh nee.’
Louisa:
‘De andere kaartjes leg ik terug.’
Gina:
‘De straf.’
Andreas:
‘Een goei fles wijn gaan halen, dan kunnen we al aperitieven.’
Louisa:
‘Allez.’ (Louisa af)
Olga:
‘2. Ik heb 2 fosterkinderen. Andreas.’ (Andreas knikt)
Gina:
‘1 punt.’
Olga:
‘In mijn studententijd heb ik samen met een vriendin gedaan alsof wij lesbisch waren. Roos?’
Roos:
‘Nee,nee.’
Gina:
‘Een liedje.’
Olga:
‘Zeg kwezelke wilde gij dansen’
40

ouw dozen: veertien rozen

Bedrijf 3
Scène 2
Zwembad
Friedl ligt te lezen
Ché (in badpak en badjas) komt op
Ché:
‘Ook gevlucht?’
Friedl:
(kijkt verschrikt op) ‘Wat?’
Ché:
‘Eén van deze dagen breken ze het kot nog eens af.’
Friedl:
‘Hm’ (blijft de hele dialoog in haar boek)
Ché:
‘Ze zoeken een ruimte voor lesbische kunst.’
Friedl:
‘Lesbische kunst’
Ché:
(wil Friedls aandacht, wil indruk maken) ‘Kunst doet de tijd stilstaan, creëert een ruimtedimensie die uniek is voor de toeschouwer.’
Friedl:
‘Interessant.’
Ché:
‘Je wordt in die ruimte gezogen en ontdekt wat er tussen jou en het kunstwerk ontstaat. Het kunstwerk gaat tot aan de grens van wat je kunt uitdrukken.’
Friedl:
‘Ja, grenzen…’
Ché:
‘En het pakt jou omdat jij body geeft aan dat wat er niet is!’
Fried:
‘Body geven.’
Ché:
‘Het bestaat alleen maar tussen jou en het kunstwerk. Als je uit die ruimte stapt, voel je je verdwaald, eenzaam, precies alsof je een stuk van jezelf verloren hebt.’
Friedl:
‘jezelf verloren.’
Ché:
‘Het doet pijn en je begrijpt het niet, je wil dat stuk terugvinden maar je weet niet wat het is.’
Friedl:
‘stuk terugvinden.’
Ché:
‘Dat is wel een heel interessant boek.’
Friedl:
‘Oh heb je het ook gelezen’
Ché:
‘Nee.’ (stilte)
Friedl:
‘Oh ik dacht’ (legt het boek eindelijk weg)
Ché:
(leest de titel) ‘Sushi voor beginners (pauze) vakliteratuur?’
Friedl:
‘Ja voor mij wel.’
Ché:
‘Voor jou wel?’
Friedl:
‘Ché, het behoort tot de chick lit Bridget Jones achterna.’
Ché:
‘Wat heeft dat met’
Friedl:
‘De centrale vraag in die romans is: wat moet ik nog kunnen en doen opdat ik mijn leven zeker verknal?’
Ché:
‘Maar Friedl’
Friedl:
‘Ik ben geslaagd!’
Ché:
‘Ah’
Friedl:
‘Ik ben ook nog geschorst door de orde van geneesheren.’
Ché:
‘Het loopt wel los.’ (geruststellend)
Friedl:
‘Zegt dat wel.’
(Andreas en Anna komen op, aarzelen en gaan dan zwemmen. Zij kijken elkaar regelmatig aan)
Ché:
‘Friedl’
Friedl:
‘Ché’
Ché:
‘Waarom ben je op haar avances’
Friedl:
‘Als ik dat eens wist’
Ché:
‘Als je d’erover wilt praten’
Friedl:
‘Nee (zeer kortaf) Ik ga maar eens naar Vence dat werk van Niki de Saint Phalle
31
kopen. Zo te zien ga ik toch heel veel tijd krijgen om dat …onbekende stukje in mij te ontdekken.’ (Friedl af, Ché blijft stomverbaasd, besluit dan te gaan zwemmen. Even zwemmen ze alledrie. Blik van Andreas naar Anna en ze gaan er allebei uit.)
Andreas:
‘Ik voel mij schuldig.’
Anna:
‘Ja, ik ook.’
Andreas:
‘Jij ook?’ (pakt Anna’s hand)
Anna:
‘Wat ga ik de kinderen vertellen?’
Andreas:
‘Hoe oud zijn ze?’
Anna:
‘Simonelle 48 en ons Germaine wordt binnenkort 45.’
Andreas:
‘Nog te klein om het te begrijpen, dus.’
Anna:
‘Ik wel ja… Irma was en is heel sterk aanwezig in ons gezin. Het middelpunt, ken je dat? En wij draaien daar rond.’
Andreas:
‘Zij houdt jullie bij elkaar.’
Anna:
‘Wij zijn bijna eens uit elkaar gegaan.’
Andreas:
‘Jij en Irma?’
Anna:
‘Ja, Irma en ik, we waren toen al zo’n 5 jaar samen.’
Andreas:
‘Het perfecte koppel?’
Anna:
‘Exactement: het perfecte koppel.’
Andreas:
‘Je bedoelt jullie waren niet’
Anna:
‘Toch wel We waren het perfecte koppel en dat was het probleem. Perfectie is hét masker voor lesbische koppels. We speelden allebei dezelfde rol: de perfecte partner.’
Andreas:
‘En toen?’
Anna:
‘Ruzie, ruzie. En nog eens ruzie. Eerst over wie de echte perfecte was, toen over waarom de andere de rol niet meer wou spelen. En toen was het stil, naar elkaar kijken, niet weten wat te zeggen.’
Andreas:
‘Rol kwijt…leven terug?’
Anna:
‘Dát heeft wel een tijdje geduurd. Ik herinner me dat we allebei woest waren: de ander had gelogen. Ken je dat.’
Andreas:
‘Ik geloof niet dat ik zo ver geraakt ben.’
Anna:
‘Irma is toen filosofie gaan studeren en ik ben opnieuw gaan optreden.’
Andreas:
‘En de kinderen’
Anna:
‘We hebben het hen nooit verteld. Ik denk trouwens dat ik het ook niet uit kon leggen. Maar als ik nu terugkijk dan vermoed ik dat zij het misschien beter begrepen hebben dan wij.’
Andreas:
‘Mm, ze hebben nog geen denkkaders.’
Anna:
‘Een vrijheid die wij misten, Irma en ik. Maar zij hebben ons de weg gewezen, ieder op haar manier. Ons Simone heeft criminologie gestudeerd en Germaine, tja, dat weet je hé? Dat is een beeldhouwster.’
Andreas:
‘Jekyll en Hyde. En jullie zijn er door gekomen?’
Anna:
‘Irma was ongeveer mijn eerste lief. Ik was 35 toen ik haar leerde kennen. Op een vernisage. Ik zong daar een paar liedjes. Irma behoorde tot het luidruchtigste groepje en zij was de gangmaker.’
Andreas:
‘En je viel daarvoor?’
Anna:
‘Viel daar voor!? Die madammen hingen mij de keel uit. Schandalig vond ik het. Cultuurbarbaren, ja. Ik minachtte ze.’
Andreas:
‘Foei Anna.’
Anna:
‘Ik weet het, ik weet het.’
Andreas:
‘Dan ben je in volle kolère gaan zeggen dat ze zich moesten gedragen.’
32
Anna:
‘Nee gij, geen haar op mijn hoofd zou daaraan denken. Ik ging de schilderijen bekijken.’
Andreas:
‘En die hingen achter haar.’
Anna:
(lacht) ‘Er was één schilderij dat mij enorm fascineerde: een man in potlood, niet ingekleurd, de vrouw was wel volledig ingekleurd en rondom hen allemaal ogen.’
Andreas:
‘Amai je hebt een goed geheugen.’
Anna:
‘Ja, het hangt op in mijn kamer.’
Andreas:
‘Dan moet ik eens komen kijken.’
Anna:
(bloost) ‘De volgende dag lag er een eigendomsbewijs van dat schilderij in de bus met de vraag of ik het wou laten hangen tot het einde van de tentoonstelling.’
Andreas:
‘En je wist onmiddellijk dat’
Anna:
‘Irma het gekocht had? Nee, ik had geen idee, geen flauw idee. Ik heb die brief langer dan een week op mijn nachtkastje laten liggen. Toen ben ik naar de galerij gestapt en die hadden 14 rozen voor mij in een prachtige vaas staan. Iedere dag had een mevrouw telkens een verse roos met kaartje gebracht. De vaas mocht ik niet meenemen, zeiden ze. Wel jammer want dat was een kunstwerk op zich: terracotta met prehistorische tekeningen erin.’
Andreas:
‘Ook op je kamer, zeker?’
Anna:
(knikt) ‘Met ne kop zo rood als die rozen, ben ik naar buiten gegaan.’
Andreas:
‘Waarom. Die galerijhouders zullen eerder jaloers geweest zijn dan iets anders.’
Anna:
‘Vooral nieuwsgierig ja.’
Andreas:
‘Hoe zou je zelf zijn?’
Anna:
‘ Met knikkende knieën en misselijk ben ik het eerste, het beste café binnengegaan en ik heb me daar ne dubbele whisky laten inschenken. Ik heb die heel langzaam opgedronken. Ik zou de rozen en de hele santeboetiek daar laten liggen. Een whisky later vond ik dat ik ze toch eerst kon rangschikken en de kaartjes kon lezen. Lunch om 1 in Chez Lucien? Bibliotheek van Hasselt om 16u00? Kinderboerderij Kiewit tussen 14u00 en 16u00? Spaghetti in Schoolstraat 3 om 17u00? Film om 10u30, Kinepolis? Wandelen Hoeselt Kerk 14u00? De veertiende roos: wijntje in het vrouwencafé 22u00? Mijn vaas was vol. We zijn beginnen babbelen en niet meer gestopt.’’
Andreas:
‘Over rozen?’
Anna:
‘Vooral over klaprozen, Irma was er gek op. Hun kwetsbaarheid en hun karakter zo frêle in de open natuur. Zo zuiver, uren praatte ze erover. Op onze wandelingen bleef ze er altijd vol ontroering bij staan. Ontembaar waren ze.’
Andreas:
‘En als je ze plukt, dan verwelken ze meteen…Ze durfde wel, jouw Irma.’
Anna:
‘Oh Irma durfde alles, groot lawaai, koekenbroden hartje; flapuit en tegelijkertijd kon ze zo diep nadenken. Ik zei soms ‘Schatje je bent de Cousteau van de denkers.’’
Andreas:
‘Zo kunnen we er wel een paar gebruiken.’
Anna:
‘Ja, mijn Irma (slikt) 17 jaar: de gelukkigste jaren van mijn leven, maar ook de diepste pijn. De meisjes waren nog aan ’t studeren. Germaine lijkt het meeste op haar en haar zoontje Torn met al zijn vragen.’
Andreas:
‘Vreemde wereld. Als ik jou zo hoor vertellen dan leeft jouw Irma nog, terwijl Angèle nog maar een schim is. Ik ga haar bezoeken en ik ken haar niet meer…Ik vraag me af of ze nog weet wie ik ben. Zij vertelt altijd hetzelfde, oppervlakkige dingen, over vroeger en altijd maar die zoekende ogen…Ik luister. Ik geloof niet dat ze iets weet of wil weten over mijn leven nu.’
Anna:
‘En zelf begin je er niet over.’
Andreas:
‘Soms probeer ik, maar ik zie dan dat ze begint rond te kijken en tja het zal ook
33
wel te pijnlijk voor haar zijn.’
Anna:
‘En voor jou’
Andreas:
‘Waarschijnlijk.’
Ché komt uit het water
Ché:
‘Sorry dames, maar ik kon niet langer zwemmen.’
Andreas:
‘Ik vond al dat je zoveel lengtes deed.’
Anna:
‘Hier drink maar wat thee voor je flauwvalt.’
Ché:
‘Maar ik wil niet storen.’
Andreas:
‘Gaat het eigenlijk wel goed met je, Ché?’
Ché:
‘Oh wat is goed?’
Anna:
‘Precies mijn Irma.’
Ché:
‘Een vraag, Andreas, wat betekent het wanneer je zegt dat het goed met je gaat?’
Andreas:
‘Raar dat wij niet weten wat de betekenis is van één van de meest gestelde vragen.’
Ché:
‘Komaan Andreas, de meeste mensen willen geen echt antwoord, dus hoeven ze het niet te weten. Weet jij het trouwens?’
Andreas:
‘Dat je leeft volgens je geweten.’
Anna:
‘En je hart. Dat je voelt dat je om mensen geeft en zij om jou.’
Andreas:
‘Dat je geweten en je hart hetzelfde willen.’
Anna:
‘Verleden niet belangrijker dan heden. Leven in het nu zonder je verleden te vergeten, dat lijkt mij misschien ook belangrijk.’
Ché:
‘En wat als je verleden ineens het heden overschaduwt en zelfs de toekomst afblokt?’
Anna:
‘Het verleden heeft die macht ja. Ik denk dat ik zo de laatste 10-15 jaar geleefd heb, zonder het te weten.’
Ché:
‘Ik had gehoopt dat ik nooit meer naar die affaire moest teruggaan.’
Anna:
‘Welke affaire?’
Ché:
‘Iets wat ik gedaan heb toen ik 17 jaar was.’
Andreas:
‘We zullen wel allemaal iets gedaan hebben op ons 17de waarover we nu niet zo trots meer zijn, zeker.’
Ché:
‘Maar ik heb iets verschrikkelijks gedaan, met verschrikkelijke gevolgen.’
Andreas:
‘En dat maakt je nu kapot?’
Ché:
‘Het laat me niet meer los.’
Anna:
‘En waarom nu, weet je dat al?’
Ché:
‘Het is allemaal zo absurd.’
Andreas:
‘Absurd, heb ik geleerd, beste Ché, is het masker van de buitenstaander voor een waardevolle innerlijke realiteit. Het is absurd dat twee jonge vrouwen ontdekken dat ze voor elkaar vallen op een weekend met hun 2 verloofden en toch besluiten om met die mannen te trouwen en bij hen te blijven. Maar is het nog absurd als je weet dat één van de vrouwen de pijn van haar vader gezien heeft die door haar moeder verlaten was? Is het nog absurd als je weet dat de andere verloofde zijn moeder op z’n negende al verloren had. Absurd bestaat alleen maar in de blik van de buitenstaander, Cheke.’
Ché:
‘Als ik het aan jullie vertel’
Anna:
‘Dan blijft het onder ons. Maar je hoeft het niet te vertellen,Ché. Je mag het.’
Ché:
‘Ik was 17, had een absolute hekel aan verhandelingen schrijven. En ik moest dat om de haverklap doen, dan in het Nederlands, dan in het Engels, dan in het Frans. Ik haatte het.’
Andreas:
‘En dus heb je ze door iemand anders laten schrijven.’
Ché:
‘Mijn juf Frans.’
34
Anna:
‘Jouw juf Frans?!’
Ché:
‘Er werd gefluisterd dat ze lesbisch was enneu.’
Andreas en Anna zwijgen.
Ché:
(schraapt haar keel) ‘Ik heb gewoon geprobeerd…ik vind het vreselijk.’
Andreas:
‘Je hebt haar proberen te versieren.’
Ché:
‘Ja, ik wist heel goed wat ik aan ’t doen was, ik vond het spannend maar toen het lukte, enfin.’
Anna:
‘Toen begon je je te vervelen.’
Ché:
‘Zoiets ja, zij was echter wel verliefd op mij.’
Andreas:
‘En wou dus vanalles voor je doen.’
Ché:
‘Ja.’
Anna:
‘En dus schreef ze’
Ché:
‘Ja’
Andreas:
‘Dan moest ze zichzelf verbeteren.’
Ché:
‘Ja’
Anna:
‘Maar dat was niet het verschrikkelijke.’
Ché:
‘Nee (stilte) op een gegeven ogenblik wou ze de relatie verbreken.’
Andreas:
‘Wat jou op de een of andere manier geen goed deed.’
Ché:
‘Nee, ik kon het niet verdragen.’
Anna:
‘Je was misschien wel verliefd op haar.’
Ché:
‘Ik weet het niet. Ik was aan haar gehecht, was graag bij haar, vond het heerlijk om bij haar te kunnen wegkruipen. Wij babbelden ook veel.’
Andreas:
‘Maar het vrijen was geen succes.’
Ché:
‘Oh jawel. Zij was heel vurig.’
Anna:
‘Ik geloof dat ik niet meer kan volgen.’
Andreas:
‘Hm voor mij is het ook te moeilijk.’
Ché:
‘Ik denk dat we nooit op hetzelfde moment op elkaar verliefd waren.’
Andreas
&Anna:
‘Ja?’
Ché:
‘We maakten heel veel ruzie. Op een bepaald moment zei ze dat het nu echt gedaan was. Uit. Fini. En ik gilde dat ik onmiddellijk naar de directie zou stappen.’
Andreas
&Anna:
‘Oh nee Ché’
Ché:
‘Ik weet het. Ik was zo woest, ik moest haar kwetsen.’
Andreas:
‘Maar je hebt het toch niet gedaan?’
Ché:
‘Oh???? nee.’
Anna:
‘Oef want dat is echt’
Ché:
‘Ze was er de volgende dag niet. We kregen studie. Niemand zei iets. De dag erna voor we naar de klassen gingen vertelde de directie ons dat mevrouw Tibo een auto-ongeluk had gehad.’ (begint te wenen)
Anna:
‘Afschuwelijk.’
Ché:
‘Ze was in het kanaal gereden.’
Andreas:
‘De politie stond voor een raadsel.’
Ché:
‘Er waren geen getuigen.’
Anna:
‘En toen?’
Ché:
‘Ik ben naar de begrafenis gegaan, heb geluisterd naar wat voor een liefdevolle dochter, meter, tante ze was, hoeveel ze voor de school deed, altijd klaar stond voor haar leerlingen, reizen organiseerde en de vriendenclub leidde.’
Andreas:
‘Heb je het ooit’
Ché:
‘Aan iemand verteld? Niemand wist dat ze lesbisch was. Ik was haar eerste lief.’
35
Anna:
‘Waarom’
Ché:
‘Ik meende het niet. Duizend keer heb ik die ruzie herhaald.’
Andreas:
‘Maar daardoor komt ze niet terug.’
Ché:
‘Nee,…, ik heb na Marguerite nooit meer een relatie gehad en ik verdien er ook geen meer.’
Andreas
&Anna:
‘Hoe kon je…haatte je haar?’
Ché:
‘Nee, absoluut niet, zij was een hele lieve, dynamische, creatieve lesgever.’
Andreas:
‘En hoe komt het dat dat nu’
Ché:
‘Friedl’
Anna:
‘Ben je’
Ché:
‘Nee dat zal ook niet meer gebeuren.’
Andreas:
‘Wat is er dan met Friedl?’
Ché:
‘Ik had Marguerite moeten bellen. Onmiddellijk moeten zeggen dat ik dat nooit zou doen. Maar ik was koppig en…te trots. Nu zou ik aan jullie willen vragen om menselijk naar Friedl te zijn. Ik heb geprobeerd om het aan Friedl te vertellen, maar ik kan het niet. Ja ze is uit haar rol gevallen. Ja ze heeft de grenzen niet gerespecteerd. Ja dat is nefast voor de client. Maar misschien was ook zij eenzaam en een gemakkelijke prooi.’
Anna:
‘We weten er natuurlijk het fijne niet van.’
Ché:
‘Precies. Alleen Friedl en Ly weten dat. Ik vraag alleen maar om haar nog een kans te geven. Friedl leeft voor dit project en zij…’
Andreas:
‘Werkt keihard.’
Anna:
‘Ik voel ook dat zij het allerbeste voor ons wil.’
Ché:
‘Zij heeft een fout gemaakt maar dat weet zij ook.’
Andreas:
‘Allez daar zijn we weer: fout fout fout.’
Anna:
‘Irma zei altijd: perfectie heeft geen geschiedenis dus ook geen toekomst.’
Andreas:
‘Ik zal voor haar pleiten, maar jij Ché, jij moet rusten.’
Anna:
‘En misschien jezelf ook eens vergeven, eens kijken wat je daarvoor moet doen.’
Ché:
‘Ik geloof niet dat dit nog voor dit leven is.’
36

ouw dozen: zaklamp

Bedrijf 3
Scène I
Kelder
Louisa:
‘Joehoe’
(Anna, Andreas en Roos schijnen vanuit verschillende hoeken met hun zaklantaarn naar de joehoespot. De zaklantaarns beschijnen telkens de sprekers.)
Anna:
‘Wie is daar?’
Louisa:
‘Lou-i-sa’
Andreas:
‘Wie is daar?’ (alsof de vraag aan Anna gesteld wordt) (komt naar Anna)
Louisa:
‘Den decorateur-general.’
Roos:
‘Wie is er?’ (wandelt ook naar Anna)
Gina:
‘Louisa en ik, Krimmeke. We kunnen het licht niet vinden.’
Roos:
‘Dat is ook niet te vinden, want er is geen.’
Gina:
‘En hoe…’
Roos:
‘We hebben zaklampen gelegd op het kastje van de spiegel, zie je ze?’
Gina:
‘Ah ja.’(Gina en Louisa komen voorzichtig naar beneden)
Gina:
‘Ik haat trappen.’
Louisa:
‘Spijtig dat de lift ook niet naar de kelder gaat.’
(Louisa en Gina op, de drie zaklantaarns schijnen naar hen, één zaklantaarn verdwijnt)
Louisa:
‘Ik pleit onschuldig.’
Gina:
‘Ik ook, meneer de juge, ook al moet ik zeggen dat ge hier in een stinkend, muf, vochtig akelig kot zit.’
Anna:
‘En ’t ritselt hier ook iets te veel naar mijn goesting.’
Roos:
‘Hier is totaal geen licht, geen enkel raam, ik kan hier niet lang blijven.’
Gina:
‘Ik vind het hier ook maar akelig, kil, vochtig.’
Andreas:
(zaklantaarn gaat opnieuw aan) ‘Ik heb nog eens rondgewandeld. Ik zie toch een aantal mogelijkheden, maar we zullen eerst aan Tatjana moeten vragen of zij en haar ploeg dit willen schoonmaken. Ik geloof dat ik vol spinnenwebben hang.’
Anna:
‘Ook dat nog?’
Louisa:
‘Mogelijkheden waarvoor?’
Anna:
‘Voor de artistieke ruimte.’
Louisa:
‘Of voor de omatijd.’(eerder een suggestie dan een vraag)
Roos:
‘Goh daar moeten we ook nog een ruimte voor vinden.’
Andreas:
‘Waarom zou dat moeten?’
Louisa:
‘Hoezo waarom zou dat moeten? Je hebt een speelkamer nodig met meubeltjes op hun maat en roze poppemiekes en playstations en’
Andreas:
‘Dat wil ik niet.’
Louisa:
‘Gij niet, maar die kindjes wel.’
Andreas:
‘Ik laat ze toe in mijn wereld. Ik denk dat kinderen dat nog het liefst van al willen: je laat hen meeleven in jouw leven en zij laten jou meeleven in hun wereld, niet door al dat namaakspul maar door verhaaltjes en samen dingen te doen.’
Louisa:
‘Nooit kinderen van dichtbij gezien zeker.’
Andreas:
‘Helaas niet.’
Anna:
(sust) ‘Dames, mijn kinderen en kleinkinderen wilden ze alletwee: veel aandacht, samen dingen doen en al eens een cadeautje.’ (genietend) ‘De favorieten zijn altijd samen iets koken of bakken: zowel de jongens als de meisjes deden dat graag, of hen een filmpje laten huren en er dan samen naar kijken. Veel nieuwe films gezien, moet ik zeggen. Of petanquen, daar hebben we ons ook mee
27
geamuseerd. (zucht) Heerlijke uren.’
Gina:
(kucht) (zij is tijdens het debat over omatijd naar Roos gelopen en heeft zich tegen haar aangedrukt omdat ze het koud heeft) ‘Beste oma’s, ik vind dit wel heel interessant maar…’
Anna:
‘Ja we wijken af.’
Olga:
(op) ‘Ik kan Friedl en Ché niet vinden, bah dat is hier akelig.’
Roos:
‘Akelig: ik vind het hier verschrikkelijk.’
Olga
‘Hm doodskist.’
Andreas:
(grijpt snel in) ‘Het blijft natuurlijk niet zo.’
Louisa:
(lamp onder haar kin) ‘We gaan herrijzen.’
Andreas:
‘Er moeten natuurlijk een paar ramen in.’
Louisa:
‘Natuurlijk want dan kunnen we naar wormen en de bloemenworteltjes kijken.’
Roos:
‘Dan zou ik de zieke worteltjes al dadelijk’
Gina:
‘hun leven kunnen laten leiden. De oorlog is voorbij Krimmeke, laat de plantjes hun wortels en vooral (geeft haar een kus) wij ons leven.’
Roos:
(trekt haar wat dichterbij) ‘Ja Florreke, waar zou ik toch zijn zonder jou’
Louisa:
‘Onder de grond misschien…’
Olga:
‘Ik val toch dood van jouw…’(stampt en bijt op haar lip)
Gina:
‘De dood, daar denken we nu precies allemaal aan…deze ruimte.’
Andreas:
‘Natuurlijk maar ik heb altijd gezegd tegen de mensen voor ze gingen verbouwen, voel de ruimte, wandel eens rond, kijk naar de omgeving.’
Anna:
(legt haar hand op Andreas’ arm) ‘Andreas, ik begrijp’
Andreas:
‘We hebben hier 4 grote kamers naast deze ontvangstruimte, dat zou…we kunnen toch even gaan zien?’
Anna:
‘Andreas’
Andreas:
‘Nee dus’
Anna:
‘Raiders of the lost Ark. Dat heb ik eens moeten meekijken eu enfin voor geen geld…’
Louisa:
(venijnig) ‘Wou je toen meespelen. En jullie Florreke en Krimmeke.’
Gina &Roos:
(tegelijkertijd) ‘Ee, ee dat kan niet, Louisa.’
Louisa:
(handen omhoog) ‘Wat heb ik nu weer gedaan?’
Roos:
‘Alleen wij kennen een Florreke en Krimmeke.’
Gina:
‘Ja ??? onze wereld’
Louisa:
(zucht) ‘Moeilijke mensen. Het is mijn indruk dat hier eigenlijk niemand echt voorstander is van Andreas’ idee (vanaf hier naar Olga) met respect voor al haar expertise natuurlijk. Of…’
Roos:
‘Hm ik wil hier eigenlijk zo snel mogelijk weg…’
Allen:
‘Ik ook.’
Andreas:
‘Ok (iedereen gaat zo snel als ze kan naar de trap) dan is het…(niemand luistert nog) goed zeker…(iedereen weg, Andreas af)
Volgende scène onmiddellijk nadat Andreas licht heeft uitgedaan. De dames kloppen hun kleren af. Ze staan allemaal tussen de spiegel en de lift.
Louisa:
‘Wat als we eens naar de zolder gaan kijken?’
Gina:
‘Geen kopje koffie?’
Olga:
‘Ik heb daar wel zin in’
Roos:
‘Hm ik ook… maar ik vind de zolder wel een goed idee.’
Anna:
‘Ik wil ook.’
Andreas:
‘Naar de zolder. Dit is inderdaad wel een goed idee, Louisa.’
Louisa:
(drukt op de liftknop) ‘Zal ik al gaan kijken terwijl jullie’
28
De anderen:
‘Nee, dan gaan we nu maar allemaal.’
Gina:
(de lift pingt) ‘Allez nu naar de hemel.’
Louisa:
‘Oei moeten we dan niet eu’
Olga:
(snijdend) ‘Biechten’
Roos:
‘Dan doen we dat maar op zolder.’
Anna:
‘Ik wacht wel.’
Andreas:
(al lachend) ‘Begin al maar, Louisa.’
(de liftdeur gaat dicht en Anna en Andreas staan in alle stilte voor de liftdeur) (Ping en gelach en gestommel van de anderen boven)
Louisa:
‘Joehoe?’
Andreas:
‘Ja Louisa.’
Louisa:
‘We hebben geen sleutel, we geraken niet binnen.’
Anna:
‘Och’ (en haalt de sleutel uit het kastje naast de deur)
Anna en Andreas in de lift
Anna doet de deur open en doet het licht aan: één peertje.
Gina:
‘Een stinkend, vochtig, muf akelig kot.’
Louisa:
‘Een héél verschil.’
Gina:
‘Kil, stil, dreigend.’
Roos:
‘Geen ramen.’
Een duif fladdert weg, Olga slaakt een gil.
Louisa:
‘’t Is maar een duifje.’
Olga:
‘Ik had ze niet gezien.’
Roos:
‘Dat zal wel. Andreas, kan ik hier ne stap zetten of zak ik dan door het plafond? (stilte) Andreas?’
Andreas:
‘Wat?’ (met gedachten ergens anders)
Roos:
‘Kunnen we hier rondlopen zonder met ons klikken en klakken naar beneden te donderen?’
Andreas:
‘Als we op de balken blijven.’
Gina:
‘De balken?! Kunnen we niet beter rondschijnen (stilte) Andreas?’
Andreas:
‘Rondschijnen, ja, dat kunnen we.’
Roos:
‘Andreas gaat het wel?’
(iedereen rond Andreas)
Andreas:
‘Ik…ik…’
Anna:
(In paniek en kwaad) ‘Verdomme, er is hier nergens een stoel.’
Andreas:
‘Laat maar.’
Anna:
‘Waar zijn we toch mee bezig?’
Andreas:
‘Het gaat al beter.’
Anna:
‘We zijn geen twintigers meer.’
Andreas:
‘Anna’
Anna stopt
Andreas:
‘Ik moest aan Angèle denken.’
Gina:
‘Dat drankorgel dat jou geen kans geeft om een eigen leven te leiden.’
Andreas:
‘Ik ben haar enige lichtpuntje.’
Louisa:
‘Dan moeten we haar dringend een paar zaklampen kopen.’
Olga:
‘Die van mij krijgt ze.’
Roos:
(verbazing) ‘Olga’
Andreas:
‘Eeuwige trouw…dat heb ik haar beloofd.’
Gina:
(verbazing) ‘Maar Andreas je…’
Andreas:
‘Ja, ik weet het.’
29
Olga:
‘Zij moet haar zelfmedelijden loslaten.’
Andreas:
‘Incest, baas die haar voortdurend getreiterd heeft, ex die met haar geld ervandoor gegaan is…en dat zijn nog maar de hoogtepunten, Olga.’
Roos:
‘Toch ga ik haar mijn zaklamp ook geven, Andreas.’
Andreas:
(verbazing) ‘Jij?’
Roos:
‘Ja, ik. (kijkt liefdevol naar Gina) Het kan niet eeuwig oorlog blijven.’
Gina:
(liefdevol) ‘Mijn oudstrijderke.’
Anna:
‘Misschien zou een kopje koffie’
Olga:
‘Goed idee, ik ga al.’ (geeft zaklamp aan Andreas)
Louisa:
‘Ik help wel.’ (geeft zaklamp aan Andreas)
Roos&
Gina:
‘Tijd om aan jezelf te denken, Andreas.’ (zaklampen)
Anna:
(knippert met haar zaklamp een paar keer)(zucht) ‘Het is moeilijk.’ (geeft zaklamp ook af.)
30

ouw dozen: hoezovogel

Bedrijf 2
Scène III
Louisa:
(grinnikt) ‘Kaarten, alsof ik niets beters te doen heb.’
Louisa is een liefdesromannetje aan het lezen en Gina komt binnen en gaat besluiteloos op de rand van het zwembad zitten, naast Louisa ligt nog een stapeltje romans.
Louisa:
(kreunend en zuchtend, ironisch) ‘Oh zo schoon.’ (gooit het gelezen romannetje aan de ene kant en pakt een nieuwe van de stapel) ‘Eens zien wie we hier hebben.’
Gina:
(grinnikend) ‘Ik verslind ze ook.’
Louisa:
‘Kwamen ze mij maar eens verslinden.’ (met veel verlangen in haar stem)
Gina=
‘Ik kijk altijd op welke blz. ik precies weet wie op wie verliefd wordt en wie het daar moeilijk mee gaat hebben. Wie hetero blijft, wie lesbisch is en wie het gaat worden.’
Louisa:
‘én’
Gina:
‘Eén keer heb ik zelfs tot pag. 12 moeten lezen!’
Beiden lachen.
Louisa:
‘Ik wou dat ik ooit eens zo’n hoofdrol mocht meespelen.’
Gina:
‘In een toneelstuk of zo?’
Louisa:
‘Nee nee daar ben ik veel te verlegen voor.’
Gina:
‘Jij verlegen?’
Louisa:
‘Absoluut. Nee, in het echt. Ik ben dan de goddelijk ongenaakbare gaste in een wellnesscenter en zij is de eigenares.’
Gina:
‘Dan ga je haar wel niet zien.’
Louisa:
‘Tuttut deze eigenares, hoewel héél rijk, houdt er van om haar klanten te masseren.’
Gina:
‘En jij neemt zoveel massages dat je bijna een vijg bent zeker.’
Louisa:
‘Nee’ (verontwaardigd) ‘Ik gun haar geen blik en zij heeft mij (heel nadrukkelijk) om één of andere mysterieuze reden, nog nooit gemasseerd.’
Gina:
(leeft zich helemaal in) ‘Zij haat lesbo’s’
Louisa:
(theatraal) ‘en dan ineens is er een blik’
Gina:
‘Die van de bliksemschicht of van de donderwolk?’
Louisa:
‘De bliksem en dan is er de smachtende blik en vervolgens een veelbetekenende.’
Gina:
‘Eu dat moet andersom zijn (Louisa kijkt) eerst veelbetekenend en dan eu weet je wel.’
Louisa:
‘Is dat zo?’
Gina:
‘Da’s zeker dadde: eerst begrijpen dat je hetzelfde wil en dan kun je beginnen (theatraal) smachten.’
Louisa:
(herneemt) ‘Eerst is er die blik die ik haar geef en die als een bliksemschicht door haar heen jaagt. Plots lijkt het alsof zij nog maar één klant heeft en dat niets belangrijker is dan die volgende blik van mij. Ik, daarentegen, laat mijn gezicht masseren met een komkommercrème en drink mijn groene thee (hand met uitstekende pink). Zij begint haar personeel uit te vragen maar ik ben, zeggen ze, een zwijgzaam type.’
Gina:
‘Jij!? Een verborgen trekje, zeker.’ (plagerig)
Louisa:
‘Zij weten wél allemaal dat ik zachtaardig, vriendelijk, gul ben én ze hebben allemaal de indruk dat (heel theatraal) er een groot verdriet in mij verborgen zit.’
Gina:
‘Olé daar gaat de hele potterie, als dominoblokjes: tjak, tjak een groot verdriet, tjak’ (doet met haar hand de vallende steentjes na)
Louisa:
‘Zij checkt mijn schema en zorgt ervoor dat ze mijn volgende massage kan doen.’
Gina:
‘Met haar speciale gave om het verdriet los te masseren zeker.’
22
Louisa:
‘Helaas, het lot is genadeloos, ik moet weg voor een eu spoedvergadering. Met lede ogen ziet ze mij in mijn Alfa Spark stappen.’
Gina:
‘Oei, we moeten nog turnen.’
Louisa:
‘Zij bewondert mijn lenigheid.’
Gina:
‘Arme auto.’
Louisa:
‘Ik kom terug, zie haar veelbetekenende blik, de massage, de smachtende (vanaf hier terug normaal) en dan groot feest en iedereen zei dat we voor elkaar geboren waren.’
Gina:
‘Oh (doet alsof ze een traan wegpinkt) zóó realistisch.’
Louisa:
‘Ja en ze leefden nog lang en gelukkig.’
Gina:
‘En zij wist al dat ze lesbisch was?’
Louisa:
(macho) ‘Na mij wel, ja.’
Gina:
(schudt hoofd al lachend) ‘Enneu jij had dat al eu gevoeld zeker.’
Louisa:
‘Ons zesde zintuig, Ginake.’ (sluit zich wat af)
Gina:
‘Ja, dat fameuze zesde zintuig. Dat hebben die vrouwen in die boekjes precies allemaal. Zien een vrouw, weten dadelijk dat ze lesbisch is, én wat ik nog straffer vind, is dat ze ook dadelijk weten of het de enige echte is.’
Louisa:
‘Ja…zo had ik het me ook voorgesteld, toen uiteindelijk mijn frank was gevallen dat ik op vrouwen viel.’
Gina:
‘Ja, die van mij is ook lang blijven hangen.’
Louisa:
‘Oh, ik was een echte oen.’
Gina:
‘Allez Louisa, in onze tijd was da allemaal niet zo gemakkelijk.’
Louisa:
‘Ik was een oen die leefde als een kip zonder kop, Gina.’
Gina:
(aarzelend) ‘Ik geloof dat ik dat diersoort ken, Louisa.’
Louisa:
‘Nen hoezovogel zullen we maar zeggen.’
Gina:
‘Hoezovogel?’
Louisa:
‘Ja, eentje die af en toe boven water komt en dan niet begrijpt waar zij in terechtgekomen is.’
Gina:
‘En geldt dat ook voor jou?’ (ongelovig)
Louisa:
‘Mijn hele leven al.’
Gina:
‘Jij jouw hele leven, ik mijn halve leven.’
Louisa:
‘Ik was getrouwd voor ik het wist. Ik trok nog juist mijn kanten voileke recht en toen zei meneer pastoor al ‘dan bent u nu man en vrouw.’
Gina:
‘Da’s wel heel snel.’
Louisa:
‘Ja. (sarcastisch) En dat is één: hoezo getrouwd (eerste vinger hand) en (met handen dikke buik vormend) bump bump tegen alles want mijn hoofd was ik maar zo (platte buik tonend) en dat is 2: (2 op haar vingers) hoezo zwanger? Ineens had ik 2 kinderen en ik was nog geen eens een moeder. (3 op haar vingers) En dit is drie: hoezo moeder? Die kinderen keken naar mij en ik naar hen. Ik wist niet wat ik moest doen, dus keek ik maar hoe andere vrouwen dat deden en ik las de Libelle. Moeder gevraagd: vrouw en kinderen overbodig.’
Gina:
‘Vrouw gevraagd: man overbodig?’
Louisa:
‘Ook dat ja, maar daar had ik geen flauw idee van. Mijn hele familie vond dat ik het goed deed, mijn huis was spik en span, alles in verschillende wit-tinten. Als de zon scheen, riskeerde je sneeuwblindheid.’
Gina:
‘Bewoners gevraagd: lichamen overbodig.’
Louisa:
‘Mm. Jan en ik werkten ons te pletter voor de zaak. Een goudmijn. Maar ons huwelijk…eerder een steenkoolmijn.’
Gina:
‘Steenkoolmijn?’
Louisa:
‘Fossiel en als brandstof voorbijgestreefd. Alleen de zaak telde…dat was ook het
23
enige waarover we praatten. De zaak…we stonden ermee op en gingen ermee slapen. De papieren deden we in de parelmoeren slaapkamer.’
Gina:
‘Leven gevraagd, zuurstof overbodig.’
Louisa:
‘De zaak. Dan voelde ik dat ik leefde.’
Gina:
‘En vrienden?’
Louisa:
‘Och ge kent dat, koppels onder elkaar…bowlen, wijnfeesten, safari’s’
Gina:
‘Gesprek gevraagd: bezigheden overbodig.’
Louisa:
‘En toen op een blauwe maandag kwam onze Jan-Louis één en al glunder naar de winkel: ne kilo appeltjes; bomma (4e vinger). Hoezo bomma?’
Gina:
(zegt samen met Louisa) ‘Hoezo bomma?’
Louisa:
(lacht wrang) ‘En dat was 4. Nog geen maand later kreeg Jan twee zware hartaanvallen, wou hij de zaak, ons huis, alles verkopen en naar Spanje trekken, mijn eigen meid. Ik hoefde nooit meer te werken!’
Gina:
‘Geluk gevraagd: zon overbodig.’
Louisa:
‘Spanje, rentenieren (zucht) en dat is 5. Ik kon de zaak niet opgeven. Ik had niet genoeg fantasie. Wat moest ik dag in dag uit doen? Hyperventileren in de zon?’
Gina:
‘Gevoel gevraagd, hart overbodig.’
Louisa:
‘Ik heb voorgesteld om de winkel alleen te doen en dat hij dan thuis kon rusten en met zijn hobby’s bezig zijn.’
Gina:
‘Maar dat wou hij niet.’
Louisa:
‘Hij kreeg bijna een derde hartinfarct. Hij wou dat we meer tijd samen zouden doorbrengen en op cruise zouden gaan en een wereldreis onder ons tweetjes zouden maken en romantische etentjes aan de Seine en een gondel in Venetië en het enige wat ik in mijn hoofd kon horen, was (strekt haar 5e vinger uit) Hoezo genieten?’
Gina:
‘Oh Louisa, hoelang ben je getrouwd geweest?’
Louisa:
‘Bijna 25 jaar. We hebben de zaak laten schatten en het huis. Jan wou of kon niets meer van ons leven zien. Ik heb hem uitgekocht. De zaak uitgebreid en dag en nacht gewerkt. En dat is zes: hoezo mijn eigen zaak.’
Gina:
‘En Jan?’
Louisa:
‘Nooit meer iets van gezien of gehoord.’
Gina:
(zucht en schudt haar hoofd) ‘Wist je toen al’
Louisa:
‘Nee, ik dacht, wat zeg ik, ik was ervan overtuigd dat ik een doodnormaal leven leidde en dat Jan, overgevoelig geworden was door z’n attackskes.’
Gina:
‘Verstand gevraagd, hersenen overbodig.’
Louisa:
‘Mijn wereld stortte in. Ik besef dat nu ook en hij was wel een lieve man. Alleen’
Gina:
‘Hadden jullie nooit mogen trouwen.’
Louisa:
‘Dat is zo.’
Gina:
‘En hoe?’
Louisa:
‘Eén van mijn klanten.’
Gina:
‘Natuurlijk. Wie anders.’
Louisa:
‘Da’s juist. Ik zag alleen maar klanten. Toen kreeg ik het ineens Spaans benauwd zo ineens. Het heeft lang geduurd voor ik mijn vapeurs aan een klant koppelde.’
Gina:
‘Dat ken ik, dat had ik ook met Roos.’
Louisa:
‘En mijn klamme handjes en mijn rood worden, en dan warm en koud krijgen ik dacht echt dat ik in den overgang zat.’
Gina:
‘Dat is ook nen overgang.’
Louisa:
‘Een persoonsgebonden overgang dan.’
Gina:
‘Ja zo eentje van tien minuutjes per week?’
Louisa:
‘Neenee. Ze at veel fruit en groenten..’
24
Gina:
‘Ah een biopotje.’
Louisa:
‘In het begin had ik het niet door. Ongelooflijk wat ik allemaal uitstak. Eén keer heb ik haar zelfs een kilo pruimen gegeven terwijl zij appels had gevraagd.’
Gina:
‘Hints?’
Louisa:
‘Dat was mij nog nooit overkomen. Ik was ook heel kortaf naar haar, op het botte af. Ik herkende mezelf niet. Plots besefte ik dat die 2 vriendelijke gasten, een koppel waren. Toen zei een klant van mij schat tegen een andere vrouw. Ineens waren al mijn klanten precies lesbisch of homo.’
Gina:
‘Ja wij eten gezond.’
Louisa:
‘Ik begon te dromen over Paulette, mijn beste vriendin vroeger. Wij waren onafscheidelijk. Zij is ook getrouwd, nog steeds denk ik.’
Gina:
‘En langzaam begon je je af te vragen of je misschien, eventueel.’
Louisa:
(steekt twee handen op) ‘Hoezo lesbisch. En dat is 7.’ (als het kan de zaal mee laten zeggen)
Gina:
‘En de klant?’
Louisa:
‘Ik ben lang verliefd op haar geweest. Maar ik durfde niets te vragen. Mijn zaak kon ik niet riskeren. Ik voelde mij zo al bekeken.’
Gina:
‘Heeft ze het ooit geweten?’
Louisa:
‘Nee en maar goed ook. Want op ne keer stond ze samen met haar man in de zaak.’
Gina:
‘Ai, pijnlijk.’
Louisa:
‘Maar ook duidelijk. Smoorverliefd waren die 2. Ik dacht dat wil ik ook voelen.’
Gina:
‘Ja, dat is een geschenk.’
Louisa:
‘Als ik jou en Roos zie, dan ben ik tegelijkertijd gelukkig en jaloers. Ik gun het jullie hé, maar ik wil het ook voelen, ook iemand hebben waarmee ik intens gelukkig kan zijn.’
Gina:
‘Dat komt nog.’
Olga:
(komt binnen) ‘Wat komt nog?’
Louisa:
(bravouregedrag) ‘De bevestiging van de hotelreservaties.’
Olga:
‘En keek je daarom zo zo…’
Louisa:
‘Ik heb geen zin om met z’n tienen de nacht in het busje te moeten doorbrengen. Jij wel?’
Olga:
‘Enfin ik kom jullie vragen of jullie het zien zitten om een deel van de kelder om te bouwen tot artistieke ruimte.’
Louisa:
‘Artistiek hol eerder.’
Olga:
(verontwaardigd) ‘Ruimte.’
Louisa:
‘Daar zijn geen ramen, ’t is daar donker, muf, de muren zijn grijs.’
Olga:
‘Andreas gaat een plan uittekenen waarin ramen zitten en hoe we met het licht moeten spelen.’
Louisa:
‘Ah gaan we nu met het licht spelen.’
Olga:
(geïrriteerd) ‘Andreas zegt dat er alleen maar noorderlicht mag komen.’
Louisa:
‘Dat wordt dan (nadrukkelijk) een koud kunstje.’
Olga:
(geïrriteerder) ‘Andreas gaat ook bekijken hoe we de ruimte kunnen verwarmen, de vloer moeten bekleden’
Louisa:
‘Amaai Andreas.’
Olga:
‘hoe we er een gezellige ruimte van moeten maken.’
Louisa:
‘Tjonge goeie ouwe Andreas.’
Olga:
‘Andreas, Louisa, heeft heel haar leven een bouwbedrijf gerund.’
Louisa:
‘En Jo dan?’
Olga:
(sissend) ‘Samen met haar man Jo, ja. Enfin we kunnen haar expertise heel goed gebruiken. We mogen blij zijn dat we zo iemand als Andreas in onze groep
25
hebben.’
Louisa:
‘Oh wat zijn we blij, blij, blij.’
Olga:
‘Het enige wat ik nu van jullie moet weten, is of jullie het goed vinden dat we de kelder als artistieke RUIMTE gaan inrichten. Dan kan Andreas al een voorstel uitwerken.’
Gina:
‘Uitstekend idee, Olga, ik ben benieuwd wat Andreas ervan gaat maken.’
Louisa:
(scandeert) ‘Andreas!’
Olga:
‘Goed, dan ga ik verder naar de anderen.’ (staat op en gaat af maar vooraleer ze verdwijnt zegt ze) ‘Enneu, praat nu maar verder over wat er nog moet komen. Bevestiging van hotelreservaties. Ik ben niet van gisteren.’
Louisa:
‘De groetjes aan Andreas.’
DOEK
26

ouw dozen:klaprozen

Bedrijf 2
Scène II
Friedl op, begint te zwemmen (heel regelmatige slagen, kopje naar omlaag, absoluut geen spatje wit in haar badpak)
Roos:
(zwempak met witte vierkantjes) zwemt achterwaarts crawl, wacht tot Friedl terug aan de zwembadrand is
‘Stoor ik?’
Friedl:
(schudt het hoofd)
Beiden zwemmen een tijdje zonder iets te zeggen. Roos draait zich om en stoot zich af, trappelt met haar voeten, blijft met het hoofd onder water. Ché komt binnen en ruimt lege glazen op. Zij kijkt even en gaat weg.
Roos:
‘Jammer dat ik moet ademen…anders bleef ik onder water…alleen water…zacht, dragend, strelend water…een omarming van stilte… een koestering die je langzaam verder laat gaan. (zucht) Na Alines dood heb ik uren aan één stuk gezwommen, op en af, in hetzelfde ritme, alleen verdriet, één met het verdriet…’
Ché komt binnen en zet twee kopjes, een theepot, theemuts en koekjes op tafel.
Ché:
‘Kopje troost.’ (Ché af)
Roos:
‘Dank je, Ché.’
Roos stopt met zwemmen en droogt zich af, doet badjas aan en schenkt zich een kopje thee in, kijkt naar Friedl maar die geeft geen kik, verdwijnt helemaal in haar badjas en slurpt mijmerend van haar thee. (Friedl komt ook uit het water.)
Roos:
‘Wij bestelden onze thee bij Taylor&Harrogate (slurpt) Yorkshire Tea.’
(Friedl trekt haar badjas aan, aarzelt)
Roos:
‘Soms gingen we naar York, naar Betty’s.’
(Friedl besluit om erbij te gaan zitten en schenkt zich ook een kopje in)
Roos:
‘Ik at altijd cucumber sandwiches…Zij een toetje.Ik heb nu toch al veel gewandeld, zei ze dan…(slurpt, kijkt verdrietig) altijd maar een reden zoeken waarom ze mocht genieten. Ze kon nooit iets kopen zonder dat het een goede investering was, zinvol, verantwoord…Ze sportte want dat was gezond (bitter) dan kon ze meer werken (zucht) en ook daar moest ze de beste zijn. Aline won altijd. Niemand mocht weten dat ze lesbisch was, dat ik bestond…dat was verliezen. Fouten die mocht ze niet maken, want dan zou men dat tegen haar gebruiken, want ze zochten haar omdat ze lesbisch was. Voor haar collega’s was ze een alleenstaande, iemand die alleen voor haar werk leefde. (handen in het haar) Ik voelde mij machteloos, zo machteloos. Meer en meer werk want ja zij had geen kinderen, geen huishouden…Ik wou…(staat op en schenkt zich nog wat thee bij, Friedl steekt haar kopje ook uit, Roos schenkt bij)…Ik wou dat ik thuis was geweest (weent, Friedl gaat naar haar toe en omarmt haar) Iedereen dacht dat zij gelukkig was (door haar tranen heen) Alleen ik…ik zag…’ (krijgt het niet gezegd)
Friedl:
(zachtaardig) ‘Roos’
Roos:
‘Zij kon niet tegen deze nepwereld, die haar verplichtte om iemand anders te zijn.’
Friedl:
(aait haar haar) ‘Roos’
Roos:
‘Zij geloofde niet dat zij zichzelf mocht zijn (bitter) op het laatste wist ze zelfs niet meer wie dat was.’
Friedl:
‘Roos jij hield van haar.’
Roos:
(snuift)
Friedl:
‘Roos jij hield van haar en bij jou kon ze zijn wie ze was.’ (kordaat)
Roos:
‘Ik heb druk op haar gezet.’
Friedl:
‘Jij wou het beste voor haar.’
Roos:
‘Druk op haar gezet om te zeggen dat ze een relatie had.’
Friedl:
‘Je wou dat ze voor zichzelf opkwam.’
18
Roos:
‘Ik wou gezien worden, Friedl.’
Friedl:
‘Jij was ook haar partner, Roos.’
Roos:
‘Ik wou hand-in-hand met haar kunnen lopen.’
Friedl:
‘Jullie waren toch ook al lang een koppel.’
Roos:
’12 jaar…geen familiefeestjes’
Friedl:
‘Wisten haar ouders’
Roos:
’12 kerstavonden alleen gezeten’
Friedl:
‘Oh Roos’
Roos:
‘Ons huis was precies een…een museum.’
Friedl:
‘Een museum?’
Roos:
‘Een museum?’
Friedl en Roos kijken elkaar beduusd aan en schieten dan aarzelend in de lach
Friedl:
‘Een museum dat heb ik nog nooit gehoord.’
Roos:
‘Toch is het juist.’
Friedl:
‘Dat zal wel, ik betwijfel het niet’
Roos:
‘Alles stond er, maar het was alsof er niemand woonde.’
Friedl:
‘Dat gevoel had ik ook in Buckingham Palace.’
Roos:
(half ironisch/sarcastisch?) ‘Ja ik woonde in Buckingham Palace, maar ik was de butler.’
Friedl:
‘Dat kan ook leuk zijn.’ (stout, seks zinspeling)
Roos:
‘Friedl’ (verbaasd)
Friedl:
‘Wat zeg ik nu’ (Antwerps accent)
Roos:
(grinnikt) (gespeeld onschuldig) ‘Ik zou het niet weten! (?)’
Andreas komt binnen
Andreas:
‘Wat zou je niet weten?’
Roos:
‘Hoe het is om butler te zijn.’
Friedl:
‘In Buckingham Palace.’
Andreas:
(perplext) ‘Hoe het is om butler te zijn in BP?’
Roos en Friedl:
(onschuldig in koor) ‘Jaaa’
Andreas:
‘Maar waarom?’
(Friedl staat op)
Friedl:
‘Ik ga nog maar wat werken.’
Andreas:
(protesterend) ‘Friedl’
Friedl:
‘Ik moet nog een aantal subsidiedossiers afwerken.’
Andreas:
‘Oei dan gaan we je niet tegenhouden, hé Roos.’
Roos:
(staat ook op) ‘Nee, dan zwijgen we. Friedl (geeft haar een warme knuffel) bedankt, ’t heeft mij deugd gedaan, ik moet er nog altijd …’
Friedl:
‘’t Is in orde Roos, ze moet erg belangrijk voor je geweest zijn.’
Roos:
‘Hm’ (Friedl af)
Andreas:
‘Aline?’
Roos:
(zucht)
Andreas:
‘Is ‘t vandaag’
Roos:
‘31 jaar geleden’
Andreas:
‘Mm. Jo is volgende maand 10 jaar dood.’
Roos kijkt naar haar
Andreas:
‘Soms praat ik met hem over Angèle.’
Roos:
‘Hoe is het met haar?’
Andreas:
‘Ze kan moeilijk met haar zelf leven, zegt ze, zo’
Roos:
‘Zonder’
19
Andreas:
(snel) ‘Ja. Nu moet ze dus al haar angsten en pijnen toelaten.’
Roos:
‘Hm dat is zwaar.’
Andreas:
‘Absoluut. Ze ziet er ook verschrikkelijk uit.’
Roos:
‘Maar ze is in goede handen.’
Andreas:
‘Ja, dat stelt me wel gerust. Ze weten waarmee ze bezig zijn, daar.’
Ché:
(komt op) ‘Is Friedl niet meer’
Andreas:
‘Nee die is’
Roos:
‘naar haar kantoor gegaan.’
Andreas:
‘Subsidies’
Ché:
(kan haar ontgoocheling nauwelijks verbergen) ‘Ah dan zal ik haar maar met rust laten.’ (ruimt op en luistervinkt)
Roos:
‘Ik denk dat Friedl dat wel kan gebruiken, ja.’
Andreas:
‘Heeft ze iets…’
Roos:
(verontschuldigend) ‘Nee, niets, maar ik heb dan ook zitten praten over Aline.’ (Nu wil Ché vertrekken)
Andreas:
(naar Ché) ‘Ken jij die Ly?’
Ché:
‘Nee, nog nooit van gehoord.’
(Olga komt binnen en kijkt naar Andreas)
Roos:
‘Komt van Beverly, naar ’t schijnt. Beverly Claes.’
Ché:
(gruwt) ‘Djeezes, wat een naam.’
Olga:
‘Ik dacht dat jij…’
Andreas:
‘Oh rats vergeten, sorry.’
Olga:
(wuift het weg) ‘We hebben geen zin meer.’
Roos:
‘Zin!’
Andreas:
‘Om te kaarten. Ik kwam een vierde…’
Olga:
‘Wie is Beverly Claes?’
Ché:
‘De toethoela die Friedl aangeklaagd heeft.’
Olga:
(fronsend) ‘De toethoela?’
Ché:
‘De toethoela.’
Olga:
‘Ik zou toch denken dat Friedl’
Ché:
‘Goedgelovig was, ja ik ook.’
Olga, Andreas
en Roos tegelijkertijd:
‘Goedgelovig?’
Ché:
‘Ik denk dat Friedl hier het slachtoffer is, ja.’
Roos:
‘Slachtoffer?’
Olga:
‘Ze is toch’
Ché:
‘Veroordeeld omdat ze de theorie tegen zich had ja…
Andreas:
(peinzend) ‘Je bedoelt dat ze’
Ché:
(heftig) ‘Niet de initiatiefneemster was’
Olga:
‘Maar Ché’
Ché:
‘Olga, ik ben hier de verpleegster en jullie zijn de oudjes.’
Olga:
(gechoqueerd) ‘Oudjes!’
Ché:
‘Zorgbehoevenden dan’
Olga:
‘Wat?’
Andreas:
‘Dames op rust’
Roos:
‘Klaprozen’
Ché:
(geïrriteerd) ‘Ik moet toch zien dat jullie gezond blijven, jullie helpen, medicamenten’
Andreas:
‘Jij de kwaaltjes, wij het leven, ja.’
20
Ché:
‘En maakt dat van mij de verantwoordelijke.’
Olga:
‘Hier niet, nee.’
Ché:
‘Voila! Ik ga naar Friedl. (af)
Allen verbaasd. Pauze.
Roos:
‘Amaai, zo ken ik ons Ché niet.’
Olga:
‘ ‘k ben blij dat er wat temperament inzit.’
(Anderen lachen)
(Louisa komt op, ploft neer en begint te lezen)
Olga:
‘Ik heb precies toch zin om te kaarten?’
Roos en Andreas:
‘Ik ook en jij Louisa?’
(Alledrie af)
21

ouw dozen: kunst

Bedrijf 2
Scène I
Aan het zwembad
Roos, Gina,Olga en Anna liggen in ligzetels. Roos snurkt en slaapt met schokjes.
Anna:
(naar Gina) ‘Dat ziet er geen gelukkige slaap uit.’
Gina:
(legt liefdevol de badhanddoek over de schouders van Roos) ‘Moeilijke periode nu.’
Anna:
‘Nu?’
Gina:
‘Haar vorig leven.’
Anna:
‘De verjaardag van een herinnering.’ (bevestigend)
Gina:
‘Een heel pijnlijke...’
(Ché komt binnen met een hartmeter)
Ché:
‘Wie heeft er gezwommen?’
(Gina, Olga en Anna steken hun hand op. Ché begint bij Gina. Louisa komt binnen in een bloedrode badjas, een gele zonneklep en een wit vierkant op haar boezem.)
Louisa tegen Ché:
‘Druk eens op mijn leeg plekske.’
Anna tegen Ché:
‘Niet op letten.’
Louisa:
(gespeeld verontwaardigd) ‘Nee,nee. Dit is kunst, hier op mijn leeg plekske.’
Gina:
‘Hier leeg plekske.’ (duwt op het vierkantje)
Louisa veert recht, salueert twee keer en stapt elegant naar achter twee keer. Verbazing alom
Gina:
‘Wat krijgen we’
Louisa:
(steekt boezem uit) ‘Leeg plekske’
Gina:
(schatert het uit maar drukt opnieuw)
Louisa:
(zelfde vertoning en huppelt naar achter naar Anna, gegiechel, maar kan het niet laten)
Anna:
‘Allez, Louisa!
Olga:
(krijgt ook het leeg plekske en duwt ook) ‘Zo zot als het achterste van een deur, zouden ze bij ons zeggen.’
Louisa:
‘Hela, dit is lesbische kunst.’ (nog eens met het beentje)
Olga:
‘Lesbische’ (stijgende intonatie)
Louisa:
‘Jep? (wijst op het vierkantje) de leegte en ik daar rond.’
Olga:
(bedenkelijk) ‘De leegte en jij daar rond? Is dit de essentie van wie jij bent?’
Louisa:
‘Jep’
Olga:
‘En als we op jouw (slikt) leegte duwen dan krijgen we die belachelijke tics nerveux.’
Louisa:
(draait met haar ogen) ‘Geen tics scha…zoe…Olga (Olga kijkt waakzamer, Louisa draait wat ongemakkelijk rond, maarhervindt dan haart bravoure en theatraliteit, en herhaalt de vertoning) ‘c’est moi!’
Olga:
(ironisch) ‘Ah oui!’
Louisa:
(wijst rond het vierkantje) ‘decorateur (salueert) general (kijkt triomfantelijk)’
Olga:
‘En dat eu huppeltje’
Louisa:
(doet het snel en zegt snel) ‘Lesbisch’
Gina, Roos en Anna die ondertussen allemaal langzaam zijn beginnen luisteren roepen: ‘wat!?’
Louisa:
(doet het opnieuw) ‘Lesbisch’
14
Olga kijkt aandachtig naar Louisa
Gina:
‘Waarom moet dat lesbisch erbij?’
Louisa:
‘’t ging toch over de lesbische kunst, nee?’
Gina:
‘Jaaa’ (stijgende intonatie)
Louisa:
‘Awel, ik heb daarover nagedacht, efkes (draait met haar ogen) en ik vond niks.’
Gina:
‘Efkes’ (stijgende intonatie) (in twee duidelijk lettergrepen)
Louisa:
(draait zich frontaal naar het publiek) ‘Is hier iemand, dat vraag ik me af, is hier iemand die weet wat lesbische kunst zou moeten zijn?’ (wat pauze, de anderen doen alsof ze nadenken)
(afhankelijk van de reactie van het publiek, reageert niet is reactie 1, zegt wel iets is reactie 2)
1 Louisa:
‘Tja, van dat zwembad hier zal ik geen antwoord moeten verwachten.’
2 Louisa:
(naar het publiek toe) ‘Nee (met het wijsvingertje) jullie zijn het zwembad en volgens mijn tekst spreekt dat niet.’
Roos:
‘Ik vraag mij af of er wel zo veel verschil is.’
Anna:
‘Mijn Irma vond van wel. Zij was woest op dat homohuwelijk. (zucht, wrijft over haar ringvinger) Woest dat de totalitaire staat gewonnen had. Woest dat de blindheid opgelegd werd. Woedend dat we gereduceerd werden tot een oppervlakkig verschil…’
Roos:
(legt haar arm om Anna) ‘Sorry dat was een domme.’
Anna:
(met tranen in haar stem) ‘We zijn getrouwd…aan het einde (bitter) ’t was van te moeten.’
(Roos geeft haar een zakdoek)
Anna:
(huilend) ‘In het stadhuis heeft Irma heel de tijd geweend. De schepen dacht van ontroering’
Roos:
‘Tegen het systeem verlies je altijd.’
Anna:
‘Ze is altijd helder gebleven, hoeveel pijn ze ook had. Maar met het huis en de kinderen…om zeker te zijn…’ (snuit haar neus, schudt haar hoofd)
Andreas komt binnen moe en uitgeput. Zij doet haar kamerjas los en zet haar badmuts op. Louisa schiet recht en trippelt naar haar toe. (badpak Andreas is helemaal zwart en zij draagt zwarte broekkous voor de spataders)
Anna:
‘Ieder individu zou het recht moeten hebben om zichzelf te blijven respecteren’, ‘en zelfrespect verlies je als je tegen je geweten in moet leven.’
Ondertussen staat Louisa te fluisteren met Andreas, gesticulerend dat het geen echt zwembad is. Andreas bekijkt Louisa niet begrijpend en doet dan staande telkens dezelfde zwembeweging met haar armen en één been. Louisa kijkt even ongelukkig naar het publiek.
Louisa:
(terug in het stuk) ‘Ik ben altijd jaloers geweest op hoe Andreas kan zwemmen.’
De anderen negeren haar
Anna:
‘Maar hoe zorg je ervoor dat de anderen je niet kneden tot hun evenbeeld?’
Gina:
‘Goed kunnen toneelspelen helpt. Dan kun je doen alsof.’
Olga:
‘Of cynisme’
Roos:
‘En als je dat niet in huis hebt…’
Gina:
‘Alcohol’
Olga:
‘Literatuur’
Roos:
‘Als je de werkelijkheid in al haar rauwheid voelt.’
Gina:
‘Mode’
Olga:
‘Sport’
15
Roos:
‘je niet wil laten verblinden’
Gina:
‘Vakanties’
Olga:
‘Film’
(Andreas stopt met zwemmen en droogt zich nauwkeurig af, luistert)
Roos:
‘niet wil voelen hoe het systeem je kapotmaakt’
Gina:
‘Voetbal’
Olga:
‘Etentjes’
Roos:
‘Zelfmoord (iedereen schrikt en kijkt naar Roos) als enige manier om je zelfrespect te bewaren.’
Andreas:
‘Ook fysiek?’
Roos:
(dof) ‘Ook fysiek’ (dalende intonatie)
Andreas:
‘Dat zal wel het minst pijnlijke geweest zijn, zeker.’
Roos:
(zacht) ‘Ik hoop het, ik hoop het, uit de grond van mijn hart.’
Andreas:
(legt haar arm rond haar en strijkt haar door haar haar) ‘Jij hebt haar gevonden.’
Roos:
‘Linkerpols, in bad.’
Louisa:
‘Je t écris de la. main’
Olga:
(vliegt uit) ‘Buiten (gooit met haar badjas) buiten’
Louisa:
‘’k wou alleen maar…’
Olga:
‘Grappig zijn,zeker!!!’
Louisa:
‘De spanning breken (kleintjes)’
Olga:
(heeft haar niet gehoord) ‘Want lesbiennes zijn altijd grappig. (wordt steeds kwader, stampvoetend) Ze hebben geen kinderen, en geen man niet te vergeten, hebben niks aan hun hoofd. Ze flierefluiten er op los want ze hebben toch niks anders te doen’
Louisa:
(stamelend) ‘Ik ik’
Olga:
‘en dan zien ze zo nen deco en dan zeggen ze ‘ziede wel’’
Louisa:
(handen afwerend) ‘Ol-ga’
Olga:
‘Seks dat is het enige, dan met de één, dan met de ander, dat is het toch hé deco (spuwt het uit) seks met zoveel mogelijk vrouwen.’
Louisa:
(verstopt haar hoofd in haar handen. Roos zit versteend, Andreas geef haar een hele warme knuffel, Anna gaat naar Olga en Gina naar Louisa. Ché kijkt besluiteloos met haar hartslagmeter om van de een naar de ander.)
Anna:
‘Sht reageer je niet af op Louisa.’
Olga:
(huilt woedend) ‘Ach ja ons arme Louisa’
Anna:
‘Zij heeft je toch niets gedaan’ (wiegend)
Olga:
(meer huilen)
Gina:
(tegen Louisa) ‘Je weet dat dit niks met je te maken heeft.’
Louisa:
(huilt) ‘Jawel, ik zeg altijd het verkeerde.’
Gina:
(sust) ‘Dat overkomt iedereen wel eens, Louisa.’
Louisa:
(huilt harder) ‘Als jullie maar eens wisten’
Gina:
‘Wat voor een slecht mens je echt bent zeker’ (ironisch)
Louisa:
‘wie ik echt ben’
Gina:
(sussend) ‘Dat komt nog wel.’
Louisa:
(bitter,snuit haar neus) ‘Op m’n 80ste zeker.’
Gina:
‘Komaan Louisa, sommige mensen komen nooit te weten wie ze zijn, willen dat zelfs niet.’
Louisa:
‘Pluim voor hen, ik wou dat ik het ook kon.’
Gina:
‘Dat meen je niet, Louisa.’
Louisa:
‘Toch wel. Vanaf dat ik wist dat ik lesbisch was, heb ik niks anders gedaan dan zoeken wie ik ben, van de éne therapie, naar de andere zelfhulpgroep…’
16
Gina:
‘En ziet eens wat een mooi mens je geworden bent…’(pakt haar hoofd vast en kijkt haar recht in de ogen, voorzichtig) ‘in die 25 jaar?’
Louisa:
(kijkt haar aan, lacht lichtjes) ‘Gij durft’
Gina:
(doet alsof ze zich wat koelte moet toewuiven) ‘Ja, ik ben d’er ook niet goed van.’
Louisa en Gina lachen, Louisa geeft Gina een dikke knuffel. Olga is ook rustig en Gina gaat naar Roos,gaat achte haar zitten, slaat armen om haar heen, benen aan iedere zijde (wordt zetel waarin Roos kan wegkruipen).
Anna:
‘Ik denk dat we wel een kopje thee verdiend hebben, nee? Een beetje troost voor onze oorlogswondes. Hm?
(Iedereen staat op en af)
17

ouw dozen: voormiddag

Scène III
Salon: kaarttafel
Anna:
(gaat naar de kaarttafel) ‘Die twee, dat belooft.’
(de anderen bevestigen en gaan ook aan de kaarttafel zitten ?)
Andreas:
(schudt de kaarten) ‘Wie wint mag als eerste de Story lezen, OK?’
Roos:
(speels) ‘Puh, ‘k ben toch als eerste wakker.’
Gina:
‘Ah , het plezier van die ongekreukte pagina’s.’
Roos:
(overdreven) ‘De bedwelmende geur van verse print.’
Andreas:
(diezelfde toon) ‘De verrukking om als eerste te weten…wie zijn geld verloren heeft…’
(de anderen lachen)
Gina:
‘En als eerste je gok te kunnen inzetten op wie in het volgende nummer gaat trouwen, scheiden, bevallen…’
Anna:
‘Over geld gesproken, wat vinden jullie van die galerij-sponsoring?’
Gina:
‘Iets om over na te denken.’
Andreas:
‘Past perfect in Out-Roze: een ruimte van traagheid, stilte, nadenken, communicatie.’
Roos:
‘Hm we hebben ons geëngageerd om 20% van onze gasten te kiezen uit de groep die het niet of niet helemaal kunnen betalen, dat…’
Anna:
‘Maar daar houden we toch rekening mee voor iedere belegging die we doen…’
Andreas:
‘Wat ik vooral goed vind is dat het de hokjesmentaliteit doorbreekt.’
Gina:
‘Je bedoelt over de leeftijdsgrenzen heen?’
Andreas:
‘Absoluut, dat ook. Maar de grenzen tussen kunstenaar en niet-kunstenaar.’
Anna:
‘Moeten we laten vervagen. Dat vind ik belangrijk. We moeten mogelijkheden creëren.’
Roos:
‘Mensen die geen tijd hebben, of niet de middelen, die moeten we sponsoren.’
Gina:
‘En hoe zouden we dat kunnen doen?’
Roos:
‘Ik zou kiezen voor een fonds en niet alleen voor beeldende kunsten. Ik weet het niet maar ergens lijkt er mij een tegenstelling te bestaan tussen lesbisch zijn en een schilderij of een foto of zelfs een beeldhouwwerk.’
Anna:
‘Daar heb ik nog nooit van gehoord.’
Roos:
‘Ik vind dat literatuur bij ons hoort.’
Anna:
‘En waarom?’
Roos:
‘In een beeld zit je gevangen zoals een boeket bloemen in een vaas, afgesneden van je wortels.’
Louisa:
(komt op) ‘Goed nieuws!’
(De anderen schrikken op en Louisa ziet dat)
Louisa:
‘Is er iets gebeurd?’ (verontrust, stijgende intonatie)
Anna:
‘We zijn ons medium aan’t zoeken.’
Louisa:
‘Waar?’ (kijkt rond)
Andreas:
‘Nee Louisa, of een lesbienne haar essentie kan uitdrukken in film, beeldhouwkunst of literatuur.
Louisa:
(kijkt naar het publiek met rollende ogen) ‘Waarom?Is hier een tekstboekvirus of wattem?’
Gina:
‘Ja, zonder antivirus. (lacht) Nee, ’t gaat over die galerij. Wat vind jij?’
Louisa:
‘Oh ik weet dat niet. Ik lees graag liefdesromannetjes…maar daar gaat het niet over zeker? (kijkt de anderen aan) Hoe kon ik het raden (zelfspot)
Anna:
‘Welk goed nieuws heb je, Louisa?’
Louisa:
‘Over Cluny’
(allen enthousiast)
10
Louisa:
‘Awel het zit zo. Ik ben ervan uitgegaan dat jullie vier meegaan.’
(allen instemmend)
Louisa:
‘Hoe kon ik het raden? Enfin dat maakt dat we met 10 gaan. Nu, Roos en Andreas willen jullie dit jaar nog rijden?’
Beiden:
‘Da’s zeker da.’
Louisa:
‘Hoe kon ik het raden? (met zichzelf ingenomen) Awel mijn voorstel is dan dat we met één busje gaan, dat we er twee dagen heen en twee dagen terug over doen, we hebben 4 chauffeurs en die moeten dan telkens maar een paar honderd kms rijden. Met Frits heb ik afgesproken dat we maar 4 dagen blijven. Dat was ok. Ik hoop wel dat hij het gehoord heeft, want zonder gehoorapparaatje…’
Anna:
‘Misschien toch nog maar een briefje schrijven.’
Louisa:
‘Dan zijn we acht dagen weg en van Hans krijgen we het busje binnen ons abonnement.’
Anna:
‘ ’t Is een schatje.’
Louisa:
‘Wat denken jullie, dames?’
Andreas:
‘Chapeau, Louisa.’
Anna:
‘Ja, absoluut…en snel.’
Roos:
‘En die hotelletjes.’
Louisa:
‘Die ga ik nu boeken, als jullie akkoord gaan.’
Gina:
‘Volste vertrouwen.’
Louisa:
‘Dan ben ik er weer vandoor zie. (Louisa af)
Gina:
(pakt Roos vast) ‘Die mannen in dat cafeetje gaan niet begrijpen waarom wij daar nu per sé naar het voetbal willen kijken. (gegiechel)
Andreas:
‘Och als Frankrijk niet speelt, dan zijn we daar alleen.’
Roos:
‘En Frankrijk…’ (Friedl op) ‘Hi Friedl’
Friedl:
(bedeesd) ‘Ik kom jullie bedanken voor de mand met fruit. Dat was een hart (krijgt krop in de keel)’
Anna:
‘Ach meiske,’
Friedl:
‘Ik ben zo kwaad op mezelf.’
Gina:
‘Je moet niet zo…’
Friedl:
‘Ik weet precies wat het systeem is, maar och tegen beter weten in.’
Gina:
‘Hoofd en hart.’
Friedl:
‘Ik kan er niet mee leven’
Gina:
‘Verliefd worden’
Friedl:
‘Met mezelf, dat ik niet nagedacht heb.’ (stilte)
Gina:
‘gebeurt buiten je wil om.’
Friedl:
‘Niet te lief zijn.’ (draait zich om) ‘Ik ga nog wat papieren in orde brengen en dan’
(Ché op)
Ché:
‘Friedl’ (blij verrast)
Friedl:
(knikt afwezig) ‘Ik stap maar weer eens op.’
Ché:
‘Zal ik meegaan?’
Friedl:
(ongelovig) ‘Naar mijn kantoor?’
Ché:
(blozend) ‘Ikke’ (Friedl af) ‘Wat kwam Friedl doen?’
Anna:
‘Volgens mij is ze dat zelf vergeten.’
Roos:
‘Het zal niet gemakkelijk zijn, maar voor haar andere cliënten is het een slag in hun gezicht.’
Gina:
‘Voor jou ligt dit nog moeilijker, hm lieve schat.’
Louisa:
(op, gaat zitten en wrijft over haar benen) ‘Cluny is rond en de kunst?’
Gina:
(ironisch) ‘Zo goed als.’
(iedereen lacht)
11
Andreas:
‘Voor ons lesbiennes is zo’n expressiekanaal, ruimte , platvorm nochtans erg belangrijk. De psychologie heeft ons proberen te verklaren en de sociologie heeft gezocht naar een plaats voor ons maar kunst…kunst laat ons zien…zowel wij onszelf, als de anderen ons…niet als meer van hetzelfde…maar anders.’
Anna:
‘Zoals een Margaret Mead en dan zijn wij eu…de inheemse bevolking?’
Andreas:
‘Het verschil verdiepen, ons stil doen staan, vragen laten stellen over onszelf, ons in verwarring brengen én tegelijkertijd in contact brengen met onszelf, onze kern.’
Anna:
‘Da’s veel meer dan wat Mead deed.’
Andreas:
‘Mead observeerde en beschreef, vulde gaten in onze kennis, kunst creëert gaten, openingen, zuurstof, leegtes.’
Anna:
‘’t Is precies alsof jij leegte als iets positiefs ziet.’
Andreas:
‘De leegte als absoluut begin van jezelf, als dat niet positief is.
Anna:
‘Voor mij is het een zwart gat, waarin je gevangen zit, verdoofd, eenzaam. (zucht) Zo eenzaam. De leegte van Irma...’
Andreas:
‘Dat is inderdaad vreselijk. Afscheid moeten nemen en dan nog op die manier. Toch geloof ik, Anna, dat je in dat rouwproces ook die oerleegte tegenkomt. De leegte van waaruit je je zintuigen, je huid, je hele wezen kunt ontdekken, en kunt groeien tot wie je bent.’ (nadruk op bent)
Roos:
‘Niet tot wie je moet zijn.’
Ché:
‘En hoe ga je ervoor zorgen dat de wereld met al haar do’s en don’t’s niet binnensluipt?’
Andreas:
‘De wereld buiten krijgen is het voor mij…mijmerend…(triestig) en voor sommigen is dat een eindeloos gevecht.
Louisa:
‘Misschien moeten we dan een leegte maken.’ (iedereen kijkt argwanend) ‘Nee, nee ik ben ernstig. Een leegte in ons huis waar mensen op zoek kunnen gaan naar deze …eerste leegte?’
Roos:
‘En daar mogen kunstenaars komen werken?’
Louisa:
‘Ik kan een kunstenaar niet onderscheiden van de niet-kunstenaar.’
Roos:
‘Iedereen die wil?’
Andreas:
‘Lesbiennes?’
Roos:
‘En werk aankopen of publiceren of tentoonstellingen organiseren die rond dit thema draaien?’
Gina:
‘Gecombineerd met jouw fonds voor beginners, Roos.’
Ché:
‘Betekent dat dan ook dat wij, hier in onze groep, gaan kijken naar wat er gebeurt en niet naar wat er moet gebeuren?’
Louisa:
‘Wat bedoel je?’
Ché:
‘Ik bedoel dat als we op zoek gaan naar het begin van ons ikje, dan moeten die beginnende ikjes ook ergens kunnen samenkomen.’
Louisa:
‘Ja?’ (aarzelend)
Ché:
‘Dan zou je kunnen zeggen dat iedereen hier mag leven zoals zij wil, en niet zoals zij moet of zoals het hoort.’
Roos:
‘Ik dacht dat we dat hier probeerden?’
Louisa:
‘Dat dacht ik niet.’ (gretig)
Ché:
‘Ik heb toch vaak het gevoel dat jullie een modelhuis willen creëren. Het goede vb.’ (begint te huilen)
iedereen gaat naar haar toe: ‘Ché’
Ché:
(door haar tranen heen) ‘Mensen maken fouten, (snik) heel goeie mensen maken fouten. Sorry.’ (staat op en rent weg)
De anderen kijken elkaar verbaasd aan.
Roos:
‘Mogen wij hier geen fouten maken?’
12
Andreas:
‘Fouten? Wat een ouderwets begrip. (schudt het hoofd) Volgens mij proberen wij een vierde hoofdstuk te schrijven, een hoofdstuk dat voor ons nog niet bestond…’
Gina:
(woorden wegend) ‘Een vierde hoofdstuk’
Roos:
‘Huize Outroze. Eerst dartelen we onschuldig rond als doornroosjes in het kasteel van onze ouders, dan twijfelen we als viooltjes, vervolgens worden we zelfbewuste orchideeën en nu klaprozen in Outroze.’
Louisa:
‘En daar ben ik blij om. Ik moet er niet aan denken om alleen in mijn appartement te zitten wegkwijnen.’
Andreas:
‘Misschien moet iedereen eens opschrijven wat zij denkt dat ze moet doen. We mogen geen Pleasantville worden. Het volmaakte bestaat niet.’
Gina:
‘Dat is waar. (theatraal) Kijk naar mij: ik ben onvolmaakt, maar daarin ben ik volmaakt!’
DOEK
13

ouw dozen: morgen

Scène II
Salon
Louisa komt al zingend op. Anna, Roos, Olga en Andreas zitten met een kopje koffie of thee hun krant, boek of Story te lezen. Andreas de Fet, Roos de Standaard, Olga de Morgen en Anna het Belang.
Louisa:
(met theatrale danspasjes) ‘Goeiemorgen, morgen, goeie dag, blij dat ik u weer verwelkomen mag. Goeiedag iedereen blij dat ik weer… (dansen, springen. Vanaf ‘de wereld is een schouwtoneel’ springen de anderen op en beginnen mee te zingen en te dansen. Iedereen doet het hare maar een aantal bewegingen is op elkaar afgestemd, zodat het duidelijk is dat zij dit al eerder gedaan hebben. Aan het einde is iedereen aan het lachen.
Louisa:
(geeft iedereen een ochtendkus en Anna een knuffel) ‘Dag schattekes’
Anna:
‘Hm jij ruikt nog lekker naar slaap.’
Lousia:
(rekt zich uit) ‘Ik heb ook geslapen als een roos.’
Roos:
‘Allez dan, deze roos heeft anders de hele nacht door gesudokuut.
Louisa:
(schenkt zich een kopje koffie in) ‘Da’s toch al beter dan onze statuten herschrijven.’
Olga:
‘We moeten daar anders wel werk van maken, straks gebeurt er iets en staat alles op zijn kop omdat niets geregeld is.’
Louisa:
‘Mmm geregeld! Olga, Olga. Je kunt niet alles regelen. Wij leven samen en als er problemen zijn dan moeten we die dan maar oplossen. Ik wil niet dat heel mijn leven al vaststaat. Straks moeten we nog een contract opmaken waarin we (overdreven intonatie) stipuleren wanneer we wensen te sterven, wie we nog allemaal wensen te zien en hoeveel kaarsjes er rond ons bed moeten staan als we de doodsprik krijgen, welke muziek…’
Andreas:
‘Louisa.’
Louisa:
(onverstoord) ‘en dit liefst drie maanden vooruit melden…’
Andreas:
‘Louisa, asjeblieft’ (zacht smekend)
Louisa:
‘zodat ze je aandeel op tijd kunnen doorverkopen. Het leven is onvoorspelbaar enneu…’
Anna:
(begint te huilen) ‘Oh Louisa’ (snuit haar neus, Andreas slaat arm om haar heen)
Ché:
(komt binnen met gekleurde kleine glaasjes) ‘Jullie cocktails,dames.
Roos:
‘Moet je weer werken, Ché?’
Ché:
‘Jamils ma is zwaar ziek en ik val voor hem in.’
Roos:
‘Oei, dan zal Jamil wel over zijn toeren zijn.’
Ché:
(zucht) Ja, ze is nog maar 59, maar ze is totaal op.
Roos:
‘Hm, hard leven.’
Ché:
‘en Jamil raast van de ene naar de andere dokter, praat tegen 200 per uur, slaapt niet meer, eet nauwelijks nog…’
Roos:
‘Totaal op. Hij moet zich ziek melden en wij moeten een vervanger zoeken. Jij moet ook rusten, Ché.’
Ché:
‘Ik kan het wel aan.’
Roos:
‘Rusten en een eigen leven leiden. Wij wonen hier. Jij niet. Vergeet dat niet.’
Ché:
‘Och Roos’ (ruimt de glaasjes op en vertrekt)
Roos:
‘Ik zal Jamil eens bellen en hem zeggen dat we het waarderen dat hij zijn ma zo verzorgt.’
Andreas:
‘En verzeker hem dat de job voor hem blijft.’
Roos:
‘Zal ik doen…Zou er iets aan de hand zijn met Ché, denk je’
Andreas:
‘Vermoeidheid misschien.’
Louisa:
(stijgende intonatie) ‘Of liefdesverdriet?’
6
Olga:
‘Grrr’
Louisa:
‘Of verliefd…dat is hetzelfde gevoel.’
Olga:
(kan zich niet meer inhouden) ‘Of misschien is het een lesbienne die haar puberteit niet heeft mogen beleven en dit trauma opnieuw en opnieuw opvoert in volcontinu puberaal gedrag en onnozele opmerkingen.’
Louisa:
(speels naïef+verbaasd+verbijsterd) ‘Waaat!? (pauze en kijkt de anderen aan) ‘Heb ik nu een probleem of een oplossing?’
(De andere drie lachen stilletjes)
Olga:
(furieus) ‘Met jou valt niet te praten.’
Louisa:
(imitatie gekwetst) ‘Schatje’ (stijgende intonatie)
Olga:
‘En stop met mij te schatten!’
Louisa:
‘Zoet..?’
Olga:
(woeste blik)
Louisa:
(zucht) ‘Olga,’ (heel officieel en namaak ernstig) ‘met jou valt ook niet te praten.’
Olga:
‘Hm da’s een goeie.’
Louisa:
‘Dat is, (met veel nadruk) Olga, jij gebruikt wel veel woordjes maar het is precies of ik het orakel van Delphi hoor.’
Olga:
(snerend) ‘Het orakel van Delphi!?’
Louisa:
‘Ja, Olga (nadruk), (nu met diepe stem, traag, zet handen aan de mond, spreekt en kijkt naar omhoog) U heb één vader en drie moeders. Op uw reis heeft u een stuk weg gemist. U zult uw leven opnieuw beginnen en eindeloos dat stuk weg bewandelen.’ (echo in bewandelen)
Olga:
‘Lach maar, Louisa (evenveel nadruk) hoeveel relaties heb je eigenlijk gehad? (agressief)
Louisa:
‘Oei, moet ik die allemaal tellen?’ (blokt agressie met humor af)
Olga:
‘Relaties Lou-is-sa, geen flirts of one-night-stands.’
Louisa:
‘Wat blijft er dan over?’ (gespeeld onschuldig)
Olga:
‘Een relatie, Louisa, waar je samen woont, kookt, kuist.’
Louisa:
(trekt een vies gezicht) ‘Eikes!’
Olga:
‘Een relatie is niet enkel plezier: je deelt elkaars lief én leed, je neemt je verantwoordelijkheid…’
Louisa:
(die per woordje dieper in haar zetel zakt en nu doet alsof ze gevloerd is) ‘Mijn god, wat ben jij een tekstboeklesbo!
Gina:
(op) ‘Soep!’
Roos:
‘Oh, je komt als geroepen.’ (staat op en geeft Gina een kus)
Gina:
‘Witloof- Kerry- en kokosmelksoep.’ (de anderen snuiven en staan met hun soepkommetje aan te schuiven)
Andreas aan Anna:
‘Gaat het?’
Anna:
‘Ja, ik ben heel gelukkig geweest.’ (zelfreflecterend)
Andreas:
‘Ja’ (en kijkt weg)
Roos:
(naar Gina met een arm om haar heen) ‘Mijn kookpotje’
Gina:
‘Wel zonder schone slaapster.’ (liefdevol)
Roos:
‘Ach mijn oorlogswonde.’
Gina:
‘Ik weet het (kijkt haar in de ogen) wordt dus een rustige dag vandaag.’
Roos:
(speels, liefkozend, namaak-onderdanig) ‘Ayay commandanté.’
Andreas:
‘Komt Ché geen kommetje soep eten?’
Gina:
‘Ik heb haar niet gezien.’
Roos:
‘Ik zal haar gaan halen (Gina, ongelukkige blik) op mijn gemakske.’ (Roos af)
7
Andreas:
‘Friedl is vandaag zeker niet komen opdagen?’
Anna:
‘We moeten haar wat tijd geven.’
Andreas:
(instemmend) ‘En wat begrip.’
Olga:
‘Ik heb Friedl altijd heel bekwaam gevonden.’
Louisa:
‘Oei-oei, hier gaan we’t horen.’
(Roos en Ché komen binnen en Ché neemt kommetje soep, eet heel traag en met duidelijk veel moeite.)
Olga:
‘Hoeveel jaren heeft de beweging niet gewerkt om de schadelijke gevolgen van misbruik van vertrouwen aan te tonen’
Anna:
(zucht) ‘Ja en er zijn ook gruwelijke getuigenissen gepubliceerd.’
Roos:
(heel stil en ingetogen) ‘En hoeveel mensen hebben er niet mee kunnen leven en zijn blijven zwijgen…ten koste van zichzelf.’
Louisa:
‘Maar het gaat toch over twee volwassen mensen of mis ik iets’
Gina:
‘Ja, absoluut. ..Voor iemand van 25’
Louisa:
‘Ola’ (protesterend)
Gina:
‘gek op verse heterootjes’
Louisa:
‘Ik…’
Gina:
‘moet dat toch duidelijk zijn.’
Louisa:
(kijkt sprakeloos rond) ‘Als jij dat zegt’ (hulpeloos)
Olga:
‘We weten allemaal dat er een verschil is tussen fysieke en emotionele leeftijd. Toen ik dertig was bijvoorbeeld, heb ik Adelheid leren kennen. 44, woonde nog altijd thuis. Pa zorgde voor haar papieren, auto, beleggingen. En ma (schudt haar hoofd) ze gingen zelfs naar dezelfde kapper. Moeder-beste vriendin, ken je dat?’
Anne:
‘Zou verboden moeten zijn’
Gina:
‘Hoezo?’
Olga:
‘Enfin om een lang verhaal kort te maken’
Louisa:
(op het puntje van haar stoel) ‘Niet nodig!’
Olga:
‘Ik werd haar ma en pa, luisterde eindeloos naar haar verhalen, alles was nieuw voor haar en alles was moeilijk. Een keuze kon ze niet maken. Alle beslissingen nam ik.
Anna:
(tut) ‘Wél een vreemde definitie van een relatie.’
Olga:
(verbitterd) ‘Ze kon zich niet losmaken van haar ouders, dus stapte ze op. Ja, zij heeft mij laten zitten en met ma en pa, die toch oh zo blij waren dat ze hun ‘baby’ terug hadden, heb ik toen wel mijne ‘pere’ gezien.’
Louisa:
(medelevend) ‘Dat wist ik niet.’
Olga:
(zucht) ‘Mijn pedofiele relatie noem ik het…’
Gina:
‘Allez’
Anna:
(sussend) ‘Dat is wat’ (zoekt naar het juiste woord)
Olga:
‘Ik dertig en zij…negen?’
Ché:
‘Maar dat kon je toch niet weten, Olga.’
Gina:
‘En het loopt ook vaak anders.’
Olga:
‘Wat ik eigenlijk wou zeggen is dat mensen niet evenwaardig zijn omdat ze fysiek dezelfde leeftijd hebben.’
Andreas:
‘Ik herken dat wel. (peinzend) Vlak voordat Jo stierf, heb ik Sofie leren kennen…Ik wist niet wat mij overkwam. De ene dag was ik de sterke, die mijn man kon verzorgen en de zaak runde, offertes uitschreef, materiaal aankocht, werven checkte, werk verdeelde… en op de andere dag was ik de meest onhandige puber, stotterend, onzeker, niet wetend wat te doen, wat kon of niet en zooo…kwetsbaar.’
Gina:
‘Ja, Roos en ik kenden elkaar al, maar toch, toen we door hadden dat we verliefd
8
op elkaar waren, maakte mij dat eigenlijk bang.
Olga:
‘Kom (staat op) decorateur-general. Wij moeten de tafel dekken en het eten afwerken.’ (goedmoedig, lachend)
Louisa:
(staat gespeeld slaafs op) ‘Goed, zeg maar wat ik moet doen (kleine pauze) tekstboeklesbo.’
Groep:
(Half lachend half kreunend)
Gina:
‘Er zit al genoeg peper in, hé dames.’
Louisa:
(schalks) ‘In ’t eten?’
Gina:
(onmiddellijk) ‘Ook ja!’
9

ouw dozen: vergadering

Scène I
Salon
(Iedereen behalve Ché en Friedl)
Louisa:
‘Waarom laten we geen heterovrouwen toe?’
Anna:
‘Waarom heb ik dit al zo vaak gehoord?’
Louisa:
‘ ’t Is toch waar. Al die potten kennen mijn versiertrucs al. Maar zo’n vers heterootje…’
Olga:
‘Hou toch op. Op jouw leeftijd’
Louisa:
‘Mijn leeftijd?! Wat is dat?’
Olga:
‘Oei als ik dat al…’
Louisa:
‘Ben ik dan 73 omdat ik toevallig 73 jaar geleden geboren ben of 25?
Anna:
’25?!’
Louisa:
‘omdat ik toen voor het eerst met een vrouw gevrijd heb?’
Allen :
Ah (geveinsd ontroerd, dalende intonatie)
Louisa:
Niks te A die keer(dubbelzinnig)
Allen:
(gelach)
Louisa:
‘Sindsdien ben ik niet meer te stoppen’ (dramatisch)
Anna:
‘En ben je daardoor dan tegen de tijd gegroeid?’
Louisa:
‘Daardoor ben ik 25, ja’
Olga:
‘Leeftijd geeft aan hoe lang je geleefd hebt’
Louisa:
‘25 jaren van versieren, versierd worden of versierd zijn’ (triomfantelijk)
Gina:
‘Allez, zitten we toch met ne decorateur-general!’
Ché:
‘Dames, tijd voor jullie medicijntje’ (karretje met 2 ijskoelers en 2 flessen Veuve-Cliguot, en een aantal flessen Spa. Ché opent de flessen en begint de glazen te vullen)
Louisa:
Ché, op jou heb ik zitten wachten’ (melodramatisch)
Olga:
‘Ge meent het…’ (verontwaardigd)
Ché:
(onmiddellijk na Olga) Beter het werkschema…
Louisa:
(onverstoorbaar) ‘Ik dacht, ik ga onze Ché vanavond eens verwennen’
Anna:
(gegeneerd) ‘Hou op deco’
Olga:
(verontwaardigd) ‘Dat ik dit nog moet meemaken’
Louisa:
‘Ik dacht Ché verzorgt ons zo goed, het wordt tijd dat ik eens iets terug doe’
Ché:
(speels onschuldig) ‘Loonsverhoging. Dat apprecieer ik enorm,Louisa.’
Olga:
(schamper lachje) ‘Heel mijn leven tegen het seksisme gevochten’
Gina:
(sussend) ‘Trek het je niet aan, Olga. Ché redt zich wel.
Olga:
‘Het is ronduit beschamend. Zo’n lesbiennes zouden we buiten moeten zetten.’
Louisa:
‘Schatje, een beetje plezier maken.’
Olga:
(declamerend) ‘De vrouw als lustobject’
Louisa:
(ironisch krijsend) ‘Ei! Een feministe. Help!’
(Friedl komt binnen en ineens zijn ze allemaal stil. Friedl is helemaal in het zwart. Haar ogen opgezwollen van het huilen.)
Andreas:
‘Friedl kom hier’(en geeft haar een knuffel, Friedl gaat naast Andreas zitten.) ‘Het is niet makkelijk, hm.’
Ché:
‘Wil je iets warm drinken Friedl’
(Friedl knikt en Ché verdwijnt)
Gina:
(schraapt haar keel en kijkt vragend naar Friedl die naar haar knikt) ‘Oké dames, dan kunnen we nu met de vergadering beginnen. Wie schrijft het verslag?’ (Gina kijkt rond)
Anna:
‘Dat zal ik doen’
(Ché komt binnen en geeft Friedl haar thee met citroen en honing, Friedl lacht
3
zwakjes.Ché af)
Gina:
‘Bon, ik begin met een agendapunt van vorige vergadering: bloemen. Roos en haar team hebben keihard gewerkt aan onze prachtige tuin en daarom zou het tuinteam het appreciëren mochten ook wij geen bloemetjes uit den hof plukken. Ook geen bloemen uit de wildtuin want die gaan onmiddellijk dood. Dat evenwicht is veel fragieler daar. De voorraad geurkaarsen en wierrookstokjes is ook aangevuld. Iedereen mag daaruit wel zoveel plukken als zij maar wil? Ons reservefonds groeit, onze beleggingen doen het nog altijd goed. Er zijn een paar aanvragen die we moeten bespreken..’
Friedl:
(geeft aan dat ze ook nog iets wil zeggen, fluisterend) ‘Ik heb een mededeling…aan het einde.’
Gina:
‘OK Friedl. Researchfonds, interview, galerij en voetbalvakantie van volgend jaar?...Geen andere punten meer?’
Andreas:
‘Omatijd’
Gina:
‘en omatijd’
(Ché komt op met hapjes)
Anna:
‘hm Ché, dat ziet er lekker uit!’
Olga:
(verrukt) ‘Sushi! Oh Ché, mijn lievelingsgerecht (grijpt gretig naar de stokjes)
Louisa:
(imiterend Ché wordt lievelingsgerecht) ‘Oh Ché, mijn lievelingsgerecht!’
Anna:
(waarschuwend)’Deco!’
Louisa:
(gespeeld onschuldig) ‘Ja?’
Anna:
‘Hier heb je je stokjes’
Louisa:
(protesterend+dubbelzinnig) ‘Ik gebruik liever mijn vingers.’ (neemt de stokjes wel aan)
Gina:
‘Ik begin al met puntje één, ok? Er is een aanvraag binnengekomen van een studente psychiatrie die het verband tussen lesbianisme en burn-out wil onderzoeken.’
Louisa:
‘Waarom niet tussen lesbianisme en humor?’
Anna:
‘Hm, altijd wel zware onderwerpen. Ze kunnen toch ook eens onderzoeken waarom lesbiennes zelfredzaam zijn, of gelukkig.’
Olga:
(kucht)Mythes en vooroordelen in de lesbische gemeenschap.’
Friedl:
‘Ik vind dat we haar onderzoeksvoorstel eens moeten bekijken. Ik zou haar uitnodigen.’
Andreas:
‘Ik ook.’
Gina:
‘Ok, Friedl en Andreas nodigen haar uit.’
Olga:
‘Mij interesseert het ook wel.’
Gina:
‘Ok jullie drie dan? Iedereen akkoord?’
Allen:
‘Hm.’
Gina:
‘We zijn uitgenodigd door kanaal Z om te komen praten over ons samenlevingsproject Outroze, daarna zouden we nog een chatsessie moeten houden van een uur.’
Andreas:
‘Is dat wel iets wat we willen doen?’
Olga:
‘Wat wil je zeggen, Andreas?’
Andreas:
‘Ik vraag mij af of wij dit wel moeten doen. Persoonlijk vind ik dat we ons huis gesloten moeten houden. Anders worden we zo’n freakshow.’
Olga:
‘We kunnen toch het goede vb geven?’
Andreas:
‘Och Olga, het goede vb, wat is dat? Wij hebben een model dat voor ons werkt. Ik hoop dat iedereen de kans krijgt om haar eigen model te creëren.
Olga:
‘ Maar als we in de media komen’
Anna:
‘ dan kneden ze ons tot hun model’
Andreas:
‘en wij mogen dan blijven spelen in een soort kijkdorp.
4
Olga:
‘Hm, je hebt gelijk. Straks moeten we nog in een pleasantville gaan wonen.
Gina:
‘We weigeren dan? Ok, ik zal terugmailen. De galerij. Zijn we bereid om een galerij voor lesbische kunstenaars te sponsoren.’
Olga:
‘Ik zou ja zeggen. De kunstwereld is er eentje van ons kent ons én het is vooral een mannenwereld. Ik geef jou een goede kritiek, als jij in de galerij mijn werk exposeert.’
Anna:
‘Ik vind wel dat het kunst moet zijn.’
Olga:
(vol vuur) ‘Natuurlijk, maar in Vlaanderen word je doodgeknuffeld als je tot het juiste kliekske behoort en met kunst heeft dat niets te maken.’
Louisa:
‘Ik vind zo’n ruimte toch ook belangrijk. Je kunt heel moeilijk iets verkopen als je geen aangename plek hebt waar de klanten eu ‘de waar’ kunnen bekijken.’
Andreas:
‘Maar ga je hen dan niet veroordelen tot een klein clubje? Welke lesbiennes kopen kunst?’
Gina:
‘Gertrude Stein?’
Anna:
‘Kunst en geslacht, kunst en geaardheid. (zucht) Laten we die vraag op onze website zetten.’
Louisa:
‘Ja, waarom doen we dat niet?’
Gina:
‘De website?’ (iedereen knikt) ‘Cluny. Volgend jaar gaat de wereldbeker voetbal door. Gaan we het huis in Cluny nog huren?’
Louisa:
‘Absoluut.’
Olga:
‘Da’s zeker dat.’
Andreas:
‘Ik kan de pastis al ruiken.’
Gina:
‘Pétanque, eten op het terrasje en gokken op de winnaar.’
Andreas:
‘Zwerven door Cluny, mijmeren in de schaduw en vol verwondering de uren zien groeien.’
Allen:
(gelach)
Gina:
‘Dus Cluny akkoord?’
Louisa:
‘Ik zal het praktische wel regelen.’
Gina:
‘Omatijd?’
Andreas:
----------
Gina
‘Indertijd heb ik beslist geen kinderen te nemen, voelde mij er ongeschikt voor. Geen kinderen, geen kleinkinderen. Gelukkig is er meer dan biologie. Genoeg ouders en grootouders met weinig tijd en genoeg kindjes die graag zo’n trage, tijdhebbende oma willen hebben. Dus …
------------------------------------------------------------------------------------------------------
stel jij je groot hart open voor die kleintjes. Ik wil dat ook wel en er zullen er nog zijn.’
Allen:
‘Ja lijkt mij ook, vind ik ook, denk ik ook’
Andreas:
‘Zal ik dan rondvragen en volgende keer verslag uitbrengen?’
Gina:
‘Goed idee. Friedl?’
(een stilte valt)
Friedl:
(met bevende stem) ‘Ik zou een mededeling willen doen. Ik wil het alleen maar vertellen, mijn vraag stellen, maar ik wil nu geen reacties, geen enkele.’ (kijkt rond, iedereen knikt) ‘Vandaag ben ik naar de rechtband gemoeten. Ik ben veroordeeld, misbruik van vertrouwen. Het is aan jullie of jullie mij nog als directrice willen. Ik begrijp iedere beslissing.’ (Iedereen kijkt weg. Friedl staat als eerste op)
DOEK
5