vrijdag, november 24, 2006

ouw dozen: veertien rozen

Bedrijf 3
Scène 2
Zwembad
Friedl ligt te lezen
Ché (in badpak en badjas) komt op
Ché:
‘Ook gevlucht?’
Friedl:
(kijkt verschrikt op) ‘Wat?’
Ché:
‘Eén van deze dagen breken ze het kot nog eens af.’
Friedl:
‘Hm’ (blijft de hele dialoog in haar boek)
Ché:
‘Ze zoeken een ruimte voor lesbische kunst.’
Friedl:
‘Lesbische kunst’
Ché:
(wil Friedls aandacht, wil indruk maken) ‘Kunst doet de tijd stilstaan, creëert een ruimtedimensie die uniek is voor de toeschouwer.’
Friedl:
‘Interessant.’
Ché:
‘Je wordt in die ruimte gezogen en ontdekt wat er tussen jou en het kunstwerk ontstaat. Het kunstwerk gaat tot aan de grens van wat je kunt uitdrukken.’
Friedl:
‘Ja, grenzen…’
Ché:
‘En het pakt jou omdat jij body geeft aan dat wat er niet is!’
Fried:
‘Body geven.’
Ché:
‘Het bestaat alleen maar tussen jou en het kunstwerk. Als je uit die ruimte stapt, voel je je verdwaald, eenzaam, precies alsof je een stuk van jezelf verloren hebt.’
Friedl:
‘jezelf verloren.’
Ché:
‘Het doet pijn en je begrijpt het niet, je wil dat stuk terugvinden maar je weet niet wat het is.’
Friedl:
‘stuk terugvinden.’
Ché:
‘Dat is wel een heel interessant boek.’
Friedl:
‘Oh heb je het ook gelezen’
Ché:
‘Nee.’ (stilte)
Friedl:
‘Oh ik dacht’ (legt het boek eindelijk weg)
Ché:
(leest de titel) ‘Sushi voor beginners (pauze) vakliteratuur?’
Friedl:
‘Ja voor mij wel.’
Ché:
‘Voor jou wel?’
Friedl:
‘Ché, het behoort tot de chick lit Bridget Jones achterna.’
Ché:
‘Wat heeft dat met’
Friedl:
‘De centrale vraag in die romans is: wat moet ik nog kunnen en doen opdat ik mijn leven zeker verknal?’
Ché:
‘Maar Friedl’
Friedl:
‘Ik ben geslaagd!’
Ché:
‘Ah’
Friedl:
‘Ik ben ook nog geschorst door de orde van geneesheren.’
Ché:
‘Het loopt wel los.’ (geruststellend)
Friedl:
‘Zegt dat wel.’
(Andreas en Anna komen op, aarzelen en gaan dan zwemmen. Zij kijken elkaar regelmatig aan)
Ché:
‘Friedl’
Friedl:
‘Ché’
Ché:
‘Waarom ben je op haar avances’
Friedl:
‘Als ik dat eens wist’
Ché:
‘Als je d’erover wilt praten’
Friedl:
‘Nee (zeer kortaf) Ik ga maar eens naar Vence dat werk van Niki de Saint Phalle
31
kopen. Zo te zien ga ik toch heel veel tijd krijgen om dat …onbekende stukje in mij te ontdekken.’ (Friedl af, Ché blijft stomverbaasd, besluit dan te gaan zwemmen. Even zwemmen ze alledrie. Blik van Andreas naar Anna en ze gaan er allebei uit.)
Andreas:
‘Ik voel mij schuldig.’
Anna:
‘Ja, ik ook.’
Andreas:
‘Jij ook?’ (pakt Anna’s hand)
Anna:
‘Wat ga ik de kinderen vertellen?’
Andreas:
‘Hoe oud zijn ze?’
Anna:
‘Simonelle 48 en ons Germaine wordt binnenkort 45.’
Andreas:
‘Nog te klein om het te begrijpen, dus.’
Anna:
‘Ik wel ja… Irma was en is heel sterk aanwezig in ons gezin. Het middelpunt, ken je dat? En wij draaien daar rond.’
Andreas:
‘Zij houdt jullie bij elkaar.’
Anna:
‘Wij zijn bijna eens uit elkaar gegaan.’
Andreas:
‘Jij en Irma?’
Anna:
‘Ja, Irma en ik, we waren toen al zo’n 5 jaar samen.’
Andreas:
‘Het perfecte koppel?’
Anna:
‘Exactement: het perfecte koppel.’
Andreas:
‘Je bedoelt jullie waren niet’
Anna:
‘Toch wel We waren het perfecte koppel en dat was het probleem. Perfectie is hét masker voor lesbische koppels. We speelden allebei dezelfde rol: de perfecte partner.’
Andreas:
‘En toen?’
Anna:
‘Ruzie, ruzie. En nog eens ruzie. Eerst over wie de echte perfecte was, toen over waarom de andere de rol niet meer wou spelen. En toen was het stil, naar elkaar kijken, niet weten wat te zeggen.’
Andreas:
‘Rol kwijt…leven terug?’
Anna:
‘Dát heeft wel een tijdje geduurd. Ik herinner me dat we allebei woest waren: de ander had gelogen. Ken je dat.’
Andreas:
‘Ik geloof niet dat ik zo ver geraakt ben.’
Anna:
‘Irma is toen filosofie gaan studeren en ik ben opnieuw gaan optreden.’
Andreas:
‘En de kinderen’
Anna:
‘We hebben het hen nooit verteld. Ik denk trouwens dat ik het ook niet uit kon leggen. Maar als ik nu terugkijk dan vermoed ik dat zij het misschien beter begrepen hebben dan wij.’
Andreas:
‘Mm, ze hebben nog geen denkkaders.’
Anna:
‘Een vrijheid die wij misten, Irma en ik. Maar zij hebben ons de weg gewezen, ieder op haar manier. Ons Simone heeft criminologie gestudeerd en Germaine, tja, dat weet je hé? Dat is een beeldhouwster.’
Andreas:
‘Jekyll en Hyde. En jullie zijn er door gekomen?’
Anna:
‘Irma was ongeveer mijn eerste lief. Ik was 35 toen ik haar leerde kennen. Op een vernisage. Ik zong daar een paar liedjes. Irma behoorde tot het luidruchtigste groepje en zij was de gangmaker.’
Andreas:
‘En je viel daarvoor?’
Anna:
‘Viel daar voor!? Die madammen hingen mij de keel uit. Schandalig vond ik het. Cultuurbarbaren, ja. Ik minachtte ze.’
Andreas:
‘Foei Anna.’
Anna:
‘Ik weet het, ik weet het.’
Andreas:
‘Dan ben je in volle kolère gaan zeggen dat ze zich moesten gedragen.’
32
Anna:
‘Nee gij, geen haar op mijn hoofd zou daaraan denken. Ik ging de schilderijen bekijken.’
Andreas:
‘En die hingen achter haar.’
Anna:
(lacht) ‘Er was één schilderij dat mij enorm fascineerde: een man in potlood, niet ingekleurd, de vrouw was wel volledig ingekleurd en rondom hen allemaal ogen.’
Andreas:
‘Amai je hebt een goed geheugen.’
Anna:
‘Ja, het hangt op in mijn kamer.’
Andreas:
‘Dan moet ik eens komen kijken.’
Anna:
(bloost) ‘De volgende dag lag er een eigendomsbewijs van dat schilderij in de bus met de vraag of ik het wou laten hangen tot het einde van de tentoonstelling.’
Andreas:
‘En je wist onmiddellijk dat’
Anna:
‘Irma het gekocht had? Nee, ik had geen idee, geen flauw idee. Ik heb die brief langer dan een week op mijn nachtkastje laten liggen. Toen ben ik naar de galerij gestapt en die hadden 14 rozen voor mij in een prachtige vaas staan. Iedere dag had een mevrouw telkens een verse roos met kaartje gebracht. De vaas mocht ik niet meenemen, zeiden ze. Wel jammer want dat was een kunstwerk op zich: terracotta met prehistorische tekeningen erin.’
Andreas:
‘Ook op je kamer, zeker?’
Anna:
(knikt) ‘Met ne kop zo rood als die rozen, ben ik naar buiten gegaan.’
Andreas:
‘Waarom. Die galerijhouders zullen eerder jaloers geweest zijn dan iets anders.’
Anna:
‘Vooral nieuwsgierig ja.’
Andreas:
‘Hoe zou je zelf zijn?’
Anna:
‘ Met knikkende knieën en misselijk ben ik het eerste, het beste café binnengegaan en ik heb me daar ne dubbele whisky laten inschenken. Ik heb die heel langzaam opgedronken. Ik zou de rozen en de hele santeboetiek daar laten liggen. Een whisky later vond ik dat ik ze toch eerst kon rangschikken en de kaartjes kon lezen. Lunch om 1 in Chez Lucien? Bibliotheek van Hasselt om 16u00? Kinderboerderij Kiewit tussen 14u00 en 16u00? Spaghetti in Schoolstraat 3 om 17u00? Film om 10u30, Kinepolis? Wandelen Hoeselt Kerk 14u00? De veertiende roos: wijntje in het vrouwencafé 22u00? Mijn vaas was vol. We zijn beginnen babbelen en niet meer gestopt.’’
Andreas:
‘Over rozen?’
Anna:
‘Vooral over klaprozen, Irma was er gek op. Hun kwetsbaarheid en hun karakter zo frêle in de open natuur. Zo zuiver, uren praatte ze erover. Op onze wandelingen bleef ze er altijd vol ontroering bij staan. Ontembaar waren ze.’
Andreas:
‘En als je ze plukt, dan verwelken ze meteen…Ze durfde wel, jouw Irma.’
Anna:
‘Oh Irma durfde alles, groot lawaai, koekenbroden hartje; flapuit en tegelijkertijd kon ze zo diep nadenken. Ik zei soms ‘Schatje je bent de Cousteau van de denkers.’’
Andreas:
‘Zo kunnen we er wel een paar gebruiken.’
Anna:
‘Ja, mijn Irma (slikt) 17 jaar: de gelukkigste jaren van mijn leven, maar ook de diepste pijn. De meisjes waren nog aan ’t studeren. Germaine lijkt het meeste op haar en haar zoontje Torn met al zijn vragen.’
Andreas:
‘Vreemde wereld. Als ik jou zo hoor vertellen dan leeft jouw Irma nog, terwijl Angèle nog maar een schim is. Ik ga haar bezoeken en ik ken haar niet meer…Ik vraag me af of ze nog weet wie ik ben. Zij vertelt altijd hetzelfde, oppervlakkige dingen, over vroeger en altijd maar die zoekende ogen…Ik luister. Ik geloof niet dat ze iets weet of wil weten over mijn leven nu.’
Anna:
‘En zelf begin je er niet over.’
Andreas:
‘Soms probeer ik, maar ik zie dan dat ze begint rond te kijken en tja het zal ook
33
wel te pijnlijk voor haar zijn.’
Anna:
‘En voor jou’
Andreas:
‘Waarschijnlijk.’
Ché komt uit het water
Ché:
‘Sorry dames, maar ik kon niet langer zwemmen.’
Andreas:
‘Ik vond al dat je zoveel lengtes deed.’
Anna:
‘Hier drink maar wat thee voor je flauwvalt.’
Ché:
‘Maar ik wil niet storen.’
Andreas:
‘Gaat het eigenlijk wel goed met je, Ché?’
Ché:
‘Oh wat is goed?’
Anna:
‘Precies mijn Irma.’
Ché:
‘Een vraag, Andreas, wat betekent het wanneer je zegt dat het goed met je gaat?’
Andreas:
‘Raar dat wij niet weten wat de betekenis is van één van de meest gestelde vragen.’
Ché:
‘Komaan Andreas, de meeste mensen willen geen echt antwoord, dus hoeven ze het niet te weten. Weet jij het trouwens?’
Andreas:
‘Dat je leeft volgens je geweten.’
Anna:
‘En je hart. Dat je voelt dat je om mensen geeft en zij om jou.’
Andreas:
‘Dat je geweten en je hart hetzelfde willen.’
Anna:
‘Verleden niet belangrijker dan heden. Leven in het nu zonder je verleden te vergeten, dat lijkt mij misschien ook belangrijk.’
Ché:
‘En wat als je verleden ineens het heden overschaduwt en zelfs de toekomst afblokt?’
Anna:
‘Het verleden heeft die macht ja. Ik denk dat ik zo de laatste 10-15 jaar geleefd heb, zonder het te weten.’
Ché:
‘Ik had gehoopt dat ik nooit meer naar die affaire moest teruggaan.’
Anna:
‘Welke affaire?’
Ché:
‘Iets wat ik gedaan heb toen ik 17 jaar was.’
Andreas:
‘We zullen wel allemaal iets gedaan hebben op ons 17de waarover we nu niet zo trots meer zijn, zeker.’
Ché:
‘Maar ik heb iets verschrikkelijks gedaan, met verschrikkelijke gevolgen.’
Andreas:
‘En dat maakt je nu kapot?’
Ché:
‘Het laat me niet meer los.’
Anna:
‘En waarom nu, weet je dat al?’
Ché:
‘Het is allemaal zo absurd.’
Andreas:
‘Absurd, heb ik geleerd, beste Ché, is het masker van de buitenstaander voor een waardevolle innerlijke realiteit. Het is absurd dat twee jonge vrouwen ontdekken dat ze voor elkaar vallen op een weekend met hun 2 verloofden en toch besluiten om met die mannen te trouwen en bij hen te blijven. Maar is het nog absurd als je weet dat één van de vrouwen de pijn van haar vader gezien heeft die door haar moeder verlaten was? Is het nog absurd als je weet dat de andere verloofde zijn moeder op z’n negende al verloren had. Absurd bestaat alleen maar in de blik van de buitenstaander, Cheke.’
Ché:
‘Als ik het aan jullie vertel’
Anna:
‘Dan blijft het onder ons. Maar je hoeft het niet te vertellen,Ché. Je mag het.’
Ché:
‘Ik was 17, had een absolute hekel aan verhandelingen schrijven. En ik moest dat om de haverklap doen, dan in het Nederlands, dan in het Engels, dan in het Frans. Ik haatte het.’
Andreas:
‘En dus heb je ze door iemand anders laten schrijven.’
Ché:
‘Mijn juf Frans.’
34
Anna:
‘Jouw juf Frans?!’
Ché:
‘Er werd gefluisterd dat ze lesbisch was enneu.’
Andreas en Anna zwijgen.
Ché:
(schraapt haar keel) ‘Ik heb gewoon geprobeerd…ik vind het vreselijk.’
Andreas:
‘Je hebt haar proberen te versieren.’
Ché:
‘Ja, ik wist heel goed wat ik aan ’t doen was, ik vond het spannend maar toen het lukte, enfin.’
Anna:
‘Toen begon je je te vervelen.’
Ché:
‘Zoiets ja, zij was echter wel verliefd op mij.’
Andreas:
‘En wou dus vanalles voor je doen.’
Ché:
‘Ja.’
Anna:
‘En dus schreef ze’
Ché:
‘Ja’
Andreas:
‘Dan moest ze zichzelf verbeteren.’
Ché:
‘Ja’
Anna:
‘Maar dat was niet het verschrikkelijke.’
Ché:
‘Nee (stilte) op een gegeven ogenblik wou ze de relatie verbreken.’
Andreas:
‘Wat jou op de een of andere manier geen goed deed.’
Ché:
‘Nee, ik kon het niet verdragen.’
Anna:
‘Je was misschien wel verliefd op haar.’
Ché:
‘Ik weet het niet. Ik was aan haar gehecht, was graag bij haar, vond het heerlijk om bij haar te kunnen wegkruipen. Wij babbelden ook veel.’
Andreas:
‘Maar het vrijen was geen succes.’
Ché:
‘Oh jawel. Zij was heel vurig.’
Anna:
‘Ik geloof dat ik niet meer kan volgen.’
Andreas:
‘Hm voor mij is het ook te moeilijk.’
Ché:
‘Ik denk dat we nooit op hetzelfde moment op elkaar verliefd waren.’
Andreas
&Anna:
‘Ja?’
Ché:
‘We maakten heel veel ruzie. Op een bepaald moment zei ze dat het nu echt gedaan was. Uit. Fini. En ik gilde dat ik onmiddellijk naar de directie zou stappen.’
Andreas
&Anna:
‘Oh nee Ché’
Ché:
‘Ik weet het. Ik was zo woest, ik moest haar kwetsen.’
Andreas:
‘Maar je hebt het toch niet gedaan?’
Ché:
‘Oh???? nee.’
Anna:
‘Oef want dat is echt’
Ché:
‘Ze was er de volgende dag niet. We kregen studie. Niemand zei iets. De dag erna voor we naar de klassen gingen vertelde de directie ons dat mevrouw Tibo een auto-ongeluk had gehad.’ (begint te wenen)
Anna:
‘Afschuwelijk.’
Ché:
‘Ze was in het kanaal gereden.’
Andreas:
‘De politie stond voor een raadsel.’
Ché:
‘Er waren geen getuigen.’
Anna:
‘En toen?’
Ché:
‘Ik ben naar de begrafenis gegaan, heb geluisterd naar wat voor een liefdevolle dochter, meter, tante ze was, hoeveel ze voor de school deed, altijd klaar stond voor haar leerlingen, reizen organiseerde en de vriendenclub leidde.’
Andreas:
‘Heb je het ooit’
Ché:
‘Aan iemand verteld? Niemand wist dat ze lesbisch was. Ik was haar eerste lief.’
35
Anna:
‘Waarom’
Ché:
‘Ik meende het niet. Duizend keer heb ik die ruzie herhaald.’
Andreas:
‘Maar daardoor komt ze niet terug.’
Ché:
‘Nee,…, ik heb na Marguerite nooit meer een relatie gehad en ik verdien er ook geen meer.’
Andreas
&Anna:
‘Hoe kon je…haatte je haar?’
Ché:
‘Nee, absoluut niet, zij was een hele lieve, dynamische, creatieve lesgever.’
Andreas:
‘En hoe komt het dat dat nu’
Ché:
‘Friedl’
Anna:
‘Ben je’
Ché:
‘Nee dat zal ook niet meer gebeuren.’
Andreas:
‘Wat is er dan met Friedl?’
Ché:
‘Ik had Marguerite moeten bellen. Onmiddellijk moeten zeggen dat ik dat nooit zou doen. Maar ik was koppig en…te trots. Nu zou ik aan jullie willen vragen om menselijk naar Friedl te zijn. Ik heb geprobeerd om het aan Friedl te vertellen, maar ik kan het niet. Ja ze is uit haar rol gevallen. Ja ze heeft de grenzen niet gerespecteerd. Ja dat is nefast voor de client. Maar misschien was ook zij eenzaam en een gemakkelijke prooi.’
Anna:
‘We weten er natuurlijk het fijne niet van.’
Ché:
‘Precies. Alleen Friedl en Ly weten dat. Ik vraag alleen maar om haar nog een kans te geven. Friedl leeft voor dit project en zij…’
Andreas:
‘Werkt keihard.’
Anna:
‘Ik voel ook dat zij het allerbeste voor ons wil.’
Ché:
‘Zij heeft een fout gemaakt maar dat weet zij ook.’
Andreas:
‘Allez daar zijn we weer: fout fout fout.’
Anna:
‘Irma zei altijd: perfectie heeft geen geschiedenis dus ook geen toekomst.’
Andreas:
‘Ik zal voor haar pleiten, maar jij Ché, jij moet rusten.’
Anna:
‘En misschien jezelf ook eens vergeven, eens kijken wat je daarvoor moet doen.’
Ché:
‘Ik geloof niet dat dit nog voor dit leven is.’
36

Geen opmerkingen: